Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3447

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-09-2007
Datum publicatie
13-09-2007
Zaaknummer
06-2575 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke aansprakelijkstelling voor onbetaald gebleven sociale verzekeringspremie. Melding betalingsonmacht? Kennelijk onbehoorlijk bestuur?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2575 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant]

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 maart 2006, 05/4103 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 11 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Bagasrawalla, advocaat te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2007. Appellant is in persoon verschenen. Zoals aangekondigd, heeft het Uwv zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de op die wet rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Appellant is van 15 maart 1999 tot 14 november 2001 bestuurder geweest van [naam B.V.], die op haar beurt van 18 december 2000 tot 14 november 2001 bestuurder was van [naam vennootschap] (hierna: de vennootschap). De vennootschap is op 14 november 2001 in staat van faillissement verklaard.

De vennootschap is in gebreke geweest met betrekking tot de betaling van de door haar verschuldigde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over het jaar 2000. Op 29 januari 2001 is de vennootschap door het Uwv aangemaand tot betaling van deze premies. De financieel directeur van de vennootschap de heer Evers is op

7 augustus 2001 een betalingsregeling met het Uwv overeengekomen, welke regeling het Uwv bij brief van gelijke datum heeft bevestigd. Blijkens deze brief is overeengekomen dat met betrekking tot het nog openstaande bedrag van f 324.942,72 de vennootschap maandelijks een bedrag van f 27.078,56 zal betalen en wel steeds per de eerste dag van de maand, te beginnen per 1 september 2001. Over de betalingen zal de wettelijke rente in rekening worden gebracht vanaf 29 januari 2001. De brief vermeldt voorts het volgende:

“Wij maken u er op attent, dat wij uw verzoek niet als een melding betalingsonmacht volgens de Wet Bestuurdersaansprakelijkheid beschouwen. Als u meent dat dit een misverstand onzerzijds is, dan verzoeken wij u alsnog een meldingsformulier in te zenden. Op uw verzoek zullen wij u een formulier toezenden.

Indien u dit formulier ingevuld aan ons terugzendt, zal de eventueel getroffen betalingsregeling als vervallen worden beschouwd en gaan wij over tot verdere invorderingsmaatregelen.”

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde te zijner zitting stelt de Raad vast dat de vennootschap al voor de datum van het faillissement de overeengekomen betalingsregeling niet langer is nagekomen.

Bij besluit van 16 september 2003 heeft het Uwv op grond van artikel 16d van de CSV appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door de vennootschap niet betaalde premies over het jaar 2000 ten bedrage van € 129.036,67 (f 284.359,40). Daarbij heeft het Uwv overwogen dat geen melding van betalingsonmacht is gedaan, hetgeen betekent dat vermoed wordt dat het niet betalen van de verschuldigde premies een gevolg is van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet aan hem is te wijten dat de vennootschap geen melding van betalingsonmacht heeft gedaan, wordt appellant niet toegelaten tot weerlegging van dit wettelijke vermoeden.

Bij besluit van 10 maart 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 16 september 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 10 maart 2004 ongegrond verklaard. In haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“2.8 In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de meldingsplicht bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV en of het eiser te verwijten is dat het lichaam niet aan deze verplichting heeft voldaan.

2.9 Gelet op de bovengenoemde wettelijke bepalingen overweegt de rechtbank dat bij gebreke van een tijdige mededeling van betalingsonmacht het niet aan het bestuursorgaan is om aannemelijk te maken dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het is, gelet op het bepaalde in het vierde lid van artikel 16d, van de CSV, aan eiser als bestuurder om in de eerste plaats aannemelijk te maken dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn meldingsplicht heeft voldaan. Indien hij daarin slaagt, wordt hij ingevolge het bepaalde in het vierde lid toegelaten tot weerlegging van het vermoeden dat de niet betaling aan hem te wijten is.

2.10 De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat het niet aan hem te wijten is dat [naam vennootschap] niet aan de meldingsplicht heeft voldaan. Daartoe stelt de rechtbank vast dat, ondanks de uitdrukkelijke verwijzing door verweerder naar de meldingsplicht in zijn brief van 7 augustus 2001, er geen (afzonderlijke) melding van betalingsonmacht heeft plaatsgevonden door [naam vennootschap] De door eiser genoemde reden dat hij in augustus 2001 op vakantie was dient naar het oordeel van de rechtbank voor zijn rekening en risico te blijven. Evenmin is de werkverdeling tussen eiser en de heer Evers, mede gelet op de collegiale verantwoordelijkheid van bestuurders, naar het oordeel van de rechtbank een reden om aan te nemen dat het niet melden van de betalingsonmacht hem niet te verwijten was. Het ligt immers op de weg van eiser, als bestuurder, om zich op de hoogte te houden van de (financiële) ontwikkelingen binnen bet bedrijf.

2.11 Ter zitting heeft eiser er op gewezen dat in de brief van 7 augustus 2001 wordt vermeld dat in het geval melding wordt gedaan van betalingsonmacht, de getroffen betalingsregeling als vervallen wordt beschouwd en verweerder over zal gaan tot verdere invorderingsmaatregelen. Gelet op deze informatie heeft eiser gesteld dat een melding van betalingsonmacht niet voor de hand lag, omdat de voortgang van het bedrijf dan zeker in gevaar zou komen.

2.12 Alhoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat dit een reden kan zijn geweest om de betalingsonmacht niet te melden, los van de vraag of dit als een geldige reden beschouwd zou kunnen worden, heeft eiser tevens ter zitting meegedeeld de brief van 7 augustus 2001 pas eerst in 2004 te hebben gezien. De betreffende overweging in de brief van 7 augustus 2001 kan naar het oordeel van de rechtbank voor eiser dan ook geen reden zijn geweest om af te zien van een melding in de zin van artikel 16d, tweede lid, van de CSV.

2.13 Ten slotte wijst de rechtbank er op dat zij, gelet op de wettelijke bepaling van artikel 16d van de CSV en de daarbij behorende strikte jurisprudentie van de CRvB, niet tot een ander oordeel kan komen dan tot het bovenstaande.

2.14 Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder eiser op goede gronden niet heeft toegelaten tot de mogelijkheid om het wettelijk vermoeden van artikel 16d, vierde lid, van de CSV te weerleggen. De rechtbank komt derhalve aan een verdere inhoudelijke behandeling niet toe.”

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat in het licht van het bepaalde in artikel 16d van de CSV in dit geding uitsluitend aan de orde kan zijn of er een melding van betalingsonmacht door de vennootschap is gedaan, en of bij gebreke daarvan appellant kan worden verweten dat een melding achterwege is gebleven.

Niet in geschil is dat geen melding is gedaan. De Raad tekent hierbij aan dat een melding had moeten worden gedaan op het moment waarop de vennootschap niet langer aan haar uit de overeengekomen betalingsregeling voortvloeiende verplichtingen kon voldoen. De Raad stelt mede gelet op het verhandelde te zijner zitting voorts vast dat, hoewel appellant eerst in de loop van 2004 de brief van 7 augustus 2001 onder ogen heeft gekregen, hij nochtans op de hoogte was van de getroffen betalingsregeling. Tevens was appellant op de hoogte van de moeilijke financiële situatie waarin de vennootschap eind 2001 kwam te verkeren. Gelet hierop is er geen grond om aannemelijk te achten dat het niet aan appellant is te wijten dat de vennootschap niet aan haar verplichting om onverwijld, nadat gebleken is dat zij niet tot betaling in staat was, daarvan mededeling te doen aan het Uwv. Dit betekent dat appellant onverkort hoofdelijk aansprakelijk is voor de verschuldigde premies. Al hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd kan hieraan niet afdoen. De Raad merkt naar aanleiding van hetgeen appellant heeft aangevoerd nog wel op dat kennelijk ten tijde van de totstandkoming van de betalingsregeling er nog geen sprake was van betalingsonmacht en een melding op dat tijdstip dan ook niet in de rede had gelegen. Voorts merkt de Raad op dat een melding van betalingsonmacht niet in alle gevallen behoeft te leiden tot een faillissement.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 september 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Pijper.

GG