Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3311

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2007
Datum publicatie
11-09-2007
Zaaknummer
07-212 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kostenveroordeling bij intrekken beroep door bestuursorgaan. Uit coulance overwegingen tegemoetkomen levert in beginsel geen bijzondere omstandigheid op om een verzoek om proceskostenveroordeling af te wijzen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75a, geldigheid: 2007-08-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

07/212 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 december 2006, 04/1882

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Paulissen, advocaat te Neerbeek, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Bij brief van 26 februari 2007 heeft mr. Paulissen, voornoemd, namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.

Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

De Raad stelt vast dat de gemachtigde van appellante het hoger beroep heeft ingetrokken aangezien het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 20 februari 2007 aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

Nu aldus aan appellante is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante.

Het Uwv heeft in het verweerschrift aangegeven dat eerst in hoger beroep van de kant van appellante is aangevoerd dat het eigenrisicodragerschap voor haar tot onevenredig hoge kosten leidde. Naar aanleiding van deze grief heeft het Uwv tijdens de hoger beroepsprocedure een herziene beslissing op bezwaar uitgereikt. Daarin is overwogen dat appellante voldeed aan de door het Uwv gehanteerde criteria, zodat op grond van coulanceoverwegingen aan appellante haar verzoek om terug te keren tot het publieke bestel, is gehonoreerd en op grond van die reden het primaire besluit niet is gehandhaafd.

Gelet op het voorgaande stelt het Uwv zich op het standpunt dat het intrekken van het besluit op grond van coulanceoverweging niet betekent dat sprake is van een onrechtmatig besluit. Derhalve is het Uwv van mening dat het verzoek van appellante om het Uwv te veroordelen in de kosten van de beroepsprocedures dient te worden afgewezen.

De Raad onderschrijft dit standpunt niet en is van oordeel dat een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Awb als regel dient te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Een uitzondering kan slechts worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Het onverplicht en bij wege van coulance tegemoetkomen levert in beginsel geen bijzondere omstandigheid op. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 16 mei 2006, gepubliceerd in LJN AX6776.

Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten van verleende rechtsbijstand, welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) in beroep worden begroot op € 644,- en in hoger beroep op € 322,-.

Wat betreft de vordering van de bij het formulier proceskosten gevoegde declaraties stelt de Raad vast, dat deze declaraties betrekking hebben op de normale kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten vallen onder het Bpb en worden dan ook, zoals in voornoemde alinea is aangegeven, volgens dit Besluit vergoed.

Voorts merkt de Raad nog op dat uit het bepaalde in artikel 22, vijfde lid, van de Beroepswet volgt dat appellante zich met een verzoek om vergoeding van het betaalde griffierecht tot het Uwv kan wenden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. Tersteeg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) C. Tersteeg.

DK