Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3286

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
11-09-2007
Zaaknummer
06-4300 WIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WIK-uitkering. Schending inlichtingenverplichting. Ondanks verzoek, geen inkomensgegevens verstrekt. Terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 350

Uitspraak

06/4300 WIK

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2006, 05/3631 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene]

Datum uitspraak: 21 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggemann, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant heeft bij besluit van 4 december 2000 aan betrokkene met ingang van 14 juli 1999 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (hierna: Wik) in de vorm van een lening toegekend. Daarbij is betrokkene, met verwijzing naar artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van de Wik, onder meer de verplichting opgelegd om uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar informatie over zijn inkomen over dat kalenderjaar ter inzage te verstrekken zodat vastgesteld kan worden of de verstrekte uitkering omgezet dient te worden in een definitieve uitkering om niet.

Bij besluit van 8 juli 2003 is de uitkering van betrokkene met toepassing van artikel 13 van de Wik met ingang van 14 juli 2003 beëindigd.

Bij besluit van 11 maart 2004 heeft appellant de uitkering over 2002 en 2003 ten bedrage van € 6.509,22 respectievelijk € 3.537,64 van betrokkene teruggevorderd op de grond dat hij, ondanks herhaalde verzoeken, niet zijn inkomensgegevens over 2002 heeft overgelegd zodat niet is voldaan aan de aan de uitkering verbonden inlichtingenverplichting. Hierdoor kan voorts niet worden vastgesteld of betrokkene over 2003 heeft voldaan aan de omzeteis als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de Wik in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit Wik.

Bij besluit van 22 oktober 2004 heeft appellant de uitkering over 2001 ten bedrage van € 6.205,69 van betrokkene teruggevorderd op de grond dat hij, ondanks herhaalde verzoeken, niet zijn inkomensgegevens over 2001 heeft verstrekt zodat niet is voldaan aan de aan de uitkering verbonden inlichtingenverplichting.

De tegen de besluiten van 11 maart 2004 en 22 oktober 2004 gemaakte bezwaren heeft appellant bij besluit van 11 juli 2005 met toepassing van onder meer artikel 23, eerste lid (oud), en artikel 24 (oud) van de Wik ongegrond verklaard. Hierbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat, doordat betrokkene geen cijfers heeft aangeleverd over 2001, 2002 en 2003, geen definitieve vaststelling van de als lening verstrekte uitkering kan plaatsvinden. Nu niet kan worden beoordeeld of de uitkering al dan niet kan worden omgezet in uitkering om niet, dient deze te worden terugbetaald.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 juli 2005 - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 22 oktober 2004 herroepen en appellant opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2004 te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank dient de bevoegdheid van appellant om na 1 januari 2004 tot herziening en terugvordering over te gaan te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 20 tot en met 23d van de Wik zoals die golden na 1 januari 2004. Aangezien het besluit tot terugvordering over 2001 dateert van 22 oktober 2004 en het besluit tot terugvordering over 2002 en 2003 dateert van 11 maart 2004, is terugvordering over 2001 ingevolge artikel 23d, tweede en derde lid, van de Wik niet meer mogelijk en kan terugvordering over 2002 slechts met ingang van 11 maart 2002 plaatsvinden.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hiertoe is aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, in het onderhavige geval geen sprake is van terugvordering als bedoeld in artikel 23d, tweede lid, van de Wik, maar van een terugvordering als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wik.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant heeft blijkens zijn besluit van 11 juli 2005 uitdrukkelijk toepassing gegeven aan de tot 1 januari 2004 geldende terugvorderingsbepalingen. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 20 juni 2006 (LJN: AX2042) acht de Raad dit onjuist. Het besluit van 11 juli 2005 berust derhalve niet op een juiste wettelijke grondslag zodat dit besluit terecht is vernietigd.

De Raad kan appellant voorts niet volgen in zijn standpunt dat de terugvordering is gegrond op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wik zoals deze bepaling vanaf 1 januari 2004 luidt. Hiertoe overweegt de Raad dat artikel 20, eerste lid, van de Wik geen terugvorderingsbepalingen behelst, doch enkel bepaalt in welke situaties het College is gehouden om tot herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering over te gaan.

Ingevolge artikel 23d, eerste lid, van de Wik, zoals deze bepaling vanaf 1 januari 2004 luidt, wordt een uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 16 van de Wik ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de kunstenaar teruggevorderd. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald wordt ingevolge artikel 23, tweede lid, van de Wik teruggevorderd voor zover de kunstenaar dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.

Het derde lid bepaalt dat terugvordering als bedoeld in het tweede lid niet plaatsvindt, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.

Gelet op de tekst van artikel 23d, eerste lid, van de Wik is de Raad van oordeel dat deze bepaling geen ruimte biedt om op grond daarvan tot terugvordering van uitkering over te gaan indien die uitkering als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wik ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 9 januari 2007 (LJN: AZ6636) heeft overwogen betekent dit dat artikel 23d, tweede lid, van de Wik in gevallen als de onderhavige, waarin een uitkering in de vorm van een lening wordt verstrekt in afwachting van de definitieve uitkering en deze uitkering, als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting waardoor deze vaststelling niet kan plaatsvinden, onverschuldigd blijkt te zijn betaald, een wettelijke grondslag voor terugvordering van uitkering vormt. Dit betekent voorts dat in die gevallen artikel 23d, derde lid, van de Wik van toepassing is.

Uit het vorenstaande volgt dat artikel 23d, tweede lid, van de Wik in het onderhavige geval de wettelijke grondslag vormt voor de terugvordering van de uitkering over de jaren 2001, 2002 en 2003. Nu de besluiten tot terugvordering over 2001 enerzijds en 2002 en 2003 anderzijds op 22 oktober 2004, respectievelijk 11 maart 2004 zijn verzonden, kan terugvordering over 2001 ingevolge art. 23d, derde lid, van de Wik in het geheel niet meer en terugvordering over 2002 slechts vanaf 11 maart 2002 plaatsvinden.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van de gemeente Rotterdam een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2007.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) S. van Ommen.

BKH