Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
10-09-2007
Zaaknummer
07-476 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvragen op grond van de WUV van voorzieningen voor acupunctuur, fysiotherapie en huisbezoek van een arts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/476 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 30 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

8 december 2006, kenmerk JZ/60/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2007. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1924, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Tevens zijn hem enkele bijzondere voorzieningen toegekend. Daarbij is aanvaard dat de nerveuze klachten en darmklachten van appellant in causaal verband staan met zijn internering in verschillende kampen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Naar aanleiding van een door appellant in januari 2005 gedane vervolgaanvraag heeft verweerster hem bij besluit van 14 april 2005 een tegemoetkoming voor het onderhouden van sociale contacten toegekend en zijn verzoeken om vergoedingen voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten, huishoudelijke hulp en niet-gedekte medische kosten in verband met zijn hartklachten en hypertensie afgewezen. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Tijdens de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 14 april 2005 heeft appellant in augustus 2005 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor vergoeding van fysiotherapeutische behandeling, acupunctuur, vergoeding van huisbezoeken door zijn behandelende arts, vergoeding van kosten medisch vervoer en medicijnkosten. Appellant heeft deze aanvraag gebaseerd op zijn rug-, knie-, linkerheup- en beenklachten die naar zijn mening eveneens een gevolg zijn van de in 1.1. genoemde internering.

2.1. Bij besluit op bezwaar van 14 november 2005 heeft verweerster appellant alsnog vergoedingen voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten en voor huishoudelijke hulp toegekend en de overige bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerster - voor zover hier van belang - overwogen dat zij van mening is dat de rugklachten en de linkerheup- en linkerbeenklachten van appellant niet in verband staan met de vervolging, maar door andere oorzaken zijn ontstaan, te weten constitutioneel dan wel degeneratief van aard zijn.

2.2. Bij primair besluit van 17 november 2005 heeft verweerster beslist op appellants aanvraag van augustus 2005 en heeft zij hem vergoedingen voor niet-gedekte medische kosten in verband met darmklachten en voor vervoer voor medische behandelingen en/of consulten in verband met nervositeit en darmklachten toegekend. De door appellant gevraagde voorzieningen voor acupunctuur, fysiotherapie en huisbezoek van een arts heeft verweerster afgewezen. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster haar afwijzing van die voorzieningen gehandhaafd.

2.3. Appellant heeft zich daarmee niet kunnen verenigen. In beroep heeft hij zijn standpunt herhaald dat- samengevat - zijn klachten voortkomen uit een ongeval dat hij bij het verrichten van dwangarbeid gedurende zijn internering heeft gehad. Bij dat ongeval is een tweewielige ijzeren kar op hem terecht gekomen. Daarbij heeft hij zijn heup, knie en rug geblesseerd en deze zijn door een gebrek aan medische zorg nimmer goed genezen. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat verweerster, ondanks herhaalde verzoeken van zijn kant, geen contact heeft gezocht met de hem (destijds) behandelende sector.

3.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellant pas in de bezwaarfase van het besluit van 14 april 2005 voor het eerst heeft aangegeven dat het ongeval met de ijzeren kar de oorzaak is van zijn meergenoemde rug-, linkerheup- en beenklachten. De beslissing daaromtrent, zoals is geschied in het besluit op bezwaar van 14 november 2005, dient naar het oordeel van de Raad dan ook op dat onderdeel te worden aangemerkt als een primair besluit.

3.2. Blijkens de brief van 7 december 2005 heeft appellant beoogd op te komen tegen het besluit van 14 november 2005 en niet, zoals verweerster heeft aangenomen, tegen het besluit van 17 november 2005. Naar het oordeel van de Raad kan worden aangenomen dat appellant daarmee tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het in primo genomen deelbesluit van 14 november 2005. Hieruit volgt dat verweerster dat besluit ten onrechte heeft aangemerkt als een besluit dat rechtens onaantastbaar is geworden.

3.3. Aangezien de Raad van oordeel is dat beide hierboven genoemde besluiten van verweerster met betrekking tot het oorzakelijke verband van de rug-, linkerheup- en linkerbeenklachten van appellant onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden - en blijkens het advies op bezwaar van 27 november 2006 is verweerster daar kennelijk ook vanuit gegaan - zal hij het onderhavige bestreden besluit aanmerken als een beslissing op bezwaar tegen die beide besluiten.

4. Ten aanzien van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant is aangevoerd, in rechte stand kan houden overweegt de Raad als volgt.

4.1. Verweersters weigering om appellant de door hem gevraagde voorzieningen toe te kennen berust op de grond dat appellants rug-, linkerheup- en linkerbeenklachten niet in verband staan met de vervolging, maar dat deze klachten constitutioneel zijn bepaald dan wel degeneratief van aard zijn. Verweerster heeft daarbij aangegeven dat zij dit standpunt reeds in het besluit van 14 november 2005 aan appellant kenbaar heeft gemaakt en dat appellant thans geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd. In dat verband heeft verweerster ook aangegeven dat appellant ondanks herhaalde verzoeken geen namen van de hem behandelende fysiotherapeuten heeft doorgegeven.

4.2. De Raad overweegt dat hij verweerster in haar standpunt niet kan volgen. Zoals in 3.2. reeds is aangegeven heeft verweerster zich naar het oordeel van de Raad ten onrechte op het standpunt gesteld dat haar besluit van 14 november 2005 door appellant niet is betwist en het daardoor in rechte onaantastbaar is geworden. Hiervan uitgaande volgt dan dat verweerster het verzoek van appellant van augustus 2005 ten onrechte heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit en bij het beslissen op het door appellant gedane verzoek ten onrechte heeft volstaan met de constatering dat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd.

4.3. Uit de stukken is de Raad niet gebleken dat verweerster de klachten van appellant op deugdelijke wijze heeft onderzocht. De Raad is met name niet gebleken dat, ondanks dat appellant daarvan in zijn bezwaarschrift van 7 december 2005 melding heeft gemaakt, de medisch adviseurs van verweerster contact hebben gezocht met de behandelende orthopedisch chirurg van appellant, dr. T. Suharso.

4.4. De stellingen van verweerster dat appellant ondanks herhaalde verzoeken geen namen van zijn behandelaars heeft doorgegeven en dat hij nalatig is gebleven in het tijdig verstrekken van een machtiging om medische gegevens bij de behandelende sector te kunnen opvragen, kunnen naar het oordeel van de Raad geen doel treffen. Allereerst is de Raad van oordeel dat uit de stukken voldoende naar voren komt dat appellant bereid is toe te stemmen in het opvragen van zijn medische gegevens, temeer nu hij verweerster bij herhaling verzocht heeft met (voormalige) behandelaars contact op te nemen. Daarnaast heeft appellant ontkend dat het in te vullen machtigingsformulier hem tijdig heeft bereikt. Tot slot blijkt uit de door verweerster ter zitting overgelegde afschriften van e-mail-berichten van verweerster aan de Nederlandse Ambassade te Jakarta dat daarin slechts verzocht wordt om namen van fysiotherapeuten en niet om namen van overige behandelaars uit de medische sector.

4.5. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op onvoldoende medisch onderzoek berust en wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand gelaten kan worden. Nu de voor dit geding beslissende medische informatie ontbreekt, beschikt de Raad over onvoldoende gegevens voor een eindbeslissing in deze zaak. Verweerster zal worden opgedragen met

inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant.

5. De Raad is niet gebleken van proceskosten van appellant die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad het door appellant betaalde griffierecht van

€ 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

30.08.