Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3054

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
06-09-2007
Zaaknummer
05-5683 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geselecteerde functies passend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5683 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 augustus 2005, 04/1351 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 juli 2007. Partijen zijn -met voorafgaand bericht- niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die laatstelijk werkzaam is geweest als bejaardenverzorgende gedurende

32 uur per week in dienst van de Stichting Verzorgings- en Verpleeghuis ’[naam verpleeghuis]’ te [vestigingsplaats], heeft zich in januari 1991 ziek gemeld voor haar werk in verband met een perianaal lipoom. Nadien heeft appellante chronische rugklachten gekregen. Aan appellante is met ingang van 22 januari 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, toegekend. In verband met de zogeheten vijfdejaarsherbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is appellante op

12 december 2002 onderzocht door verzekeringsarts H.G.M. Steneker. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellante met inachtneming van de beperkingen die voortvloeien uit haar chronische lage rugklachten, in staat is lichtere werkzaamheden te verrichten onder goede ergonomische omstandigheden. De aan appellante toegemeten beperkingen zijn nader omschreven in de voor haar opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Arbeidsdeskundige J.C. Groen heeft in

oktober 2003 onderzoek verricht naar de arbeidsmogelijkheden van appellante. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem heeft de arbeidsdeskundige voor appellante functies geselecteerd, die in overeenstemming zijn met haar beperkingen en waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Bij besluit van 11 december 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 21 december 2003 ingetrokken.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 december 2003. Ter ondersteuning van haar standpunt dat de verzekeringsarts onvoldoende beperkingen heeft aangenomen en dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen, heeft appellante beroep gedaan op de rapportage van medisch adviseur D.J. Schakel van

15 oktober 2004. De medisch adviseur is tot de conclusie gekomen dat appellante, evenals in 1996 is vastgesteld, niet langer dan een half uur achtereen kan zitten en lopen en dat afwisseling in zitten, staan en lopen noodzakelijk is. Om die reden acht de medisch adviseur het gros van de geselecteerde functies voor appellante ongeschikt.

Bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers is na bestudering van het dossier evenwel tot de conclusie gekomen dat geen aanleiding bestaat om de FML aan te scherpen. De in de beroepsfase verrichte heroverweging van de arbeidskundige grondslag van het besluit van 11 december 2003 heeft evenmin tot een andere uitkomst geleid. Het Uwv heeft bij het besluit van 8 december 2004 (het bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 11 december 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar uitspraken van de Raad, de grief van appellante dat het primaire besluit van 11 december 2003 berust op verouderde medische gegevens, verworpen. Op grond van de beschikbare medische gegevens is de rechtbank niet gebleken dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen. De rechtbank heeft evenmin aanleiding gevonden om, uitgaande van de voor appellante opgestelde FML, de geselecteerde functies ongeschikt te achten.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het rapport van medisch adviseur Schakel, die gemotiveerd heeft aangegeven dat de beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld. Naar de mening van appellante heeft zij door middel van de rapportage van haar medisch adviseur voldoende bewijs geleverd voor haar standpunt. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geen betekenis toegekend aan de arbeidskundige klachten die door de medisch adviseur naar voren zijn gebracht, aldus appellante.

De in hoger beroep aan de orde zijnde vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat de WAO-uitkering van appellante op goede gronden met ingang van 21 december 2003 is ingetrokken, beantwoordt de Raad bevestigend.

Verzekeringsarts Steneker is na onderzoek, waaronder lichamelijk onderzoek, tot de conclusie gekomen dat voor appellante beperkingen gelden voor het verrichten van arbeid vanwege haar chronische lage rugklachten. De verzekeringarts acht appellante in staat lichtere werkzaamheden onder goede ergonomische omstandigheden te verrichten. In dat verband zijn in de voor appellante opgestelde FML onder meer beperkingen opgenomen ten aanzien van zitten en staan. Bovendien is in die FML een specifieke voorwaarde voor dynamisch handelen en voor statische houdingen in arbeid in de vorm van goede ergonomie opgenomen, waaronder blijkens de rapportages van de verzekeringsarts, de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige G. van Dam wordt verstaan normale vrijheid van vertreden respectievelijk een goed instelbare werkstoel. De Raad heeft, gelet op de bevindingen van verzekeringsarts Steneker bij zijn onderzoek, in de rapportage van medisch adviseur Schakel onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat de opgestelde FML te weinig beperkingen weergeeft op de onderdelen zitten, staan en lopen. De omstandigheid dat uit de anamnese, zoals weergegeven door de medisch adviseur, kan worden afgeleid dat appellante zich meer beperkt acht op deze onderdelen en dat bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante in 1996 meer beperkingen zijn aangenomen, acht de Raad ontoereikend om de opgestelde FML voor onjuist te houden. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 21 december 2003 niet is uitgegaan van de gezondheidstoestand, en de daaruit voortvloeiende beperkingen, van appellante op die datum.

De opvatting van appellante dat het gros van de functies ten onrechte is geselecteerd, berust op het standpunt van medisch adviseur Schakel dat voor appellante meer beperkingen gelden. Zoals hiervoor overwogen, onderschrijft de Raad dit standpunt niet. Naar het oordeel van de Raad is uitsluitend de functie van kassamedewerker supermarkt (functienummer 6528-0928-004) niet in overeenstemming met de opgestelde FML en meer in het bijzonder de voorwaarde van een normale vrijheid van vertreden. Het resultaat eindselectie van deze functie vermeldt dat de werkzaamheden gedurende zes werkuren zittend worden uitgevoerd en dat tijdens de overige twee werkuren staan en lopen voorkomt. Uit deze gegevens en de beschrijving van de functie kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat in deze functie een normale vrijheid van vertreden bestaat. Aangezien de overige geselecteerde functies die vallen onder SBC-code 317030 (kassamedewerker, caissière) slechts zes arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, is deze functie ten onrechte aan de schatting ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de Raad voldoen de overige voor appellante geselecteerde functies wel aan de voorwaarde van een normale vrijheid van vertreden en aan de overige in de FML weergegeven beperkingen. Het vervallen van SBC-code 317030 leidt niet tot een andere arbeidsongeschiktheidsklasse, aangezien (meer dan) drie functies overblijven, die voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid evenzeer minder dan 15% bedraagt.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C.M. van Laar en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk

(get.) M.C.T.M. Sonderegger

MK