Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB3046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
06-09-2007
Zaaknummer
05-5920 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering toe te kennen. Niet vast te stellen of betrokkene na 17-jarige leeftijd onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Voldoende medische gegevens?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5920 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 16 september 2005, 04/888 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 september 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. C.A. Pors. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren op 30 oktober 1949, heeft naar aanleiding van haar aanvraag om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) het spreekuur van

9 februari 2004 van verzekeringsarts M.F. Mandl-Buysrogge bezocht. Appellante heeft aangegeven altijd klachten te hebben gehad van vermoeidheid, vergeetachtig zijn, bronchitis en darmproblemen en infecties. De verzekeringsarts heeft appellante meegedeeld dat de situatie dient te worden beoordeeld zoals die 37 jaar geleden was en heeft derhalve de huisarts van appellante verzocht om informatie die van belang kan zijn voor een dergelijke beoordeling. In de rapportage van 19 februari 2004 heeft Mandl-Buysrogge – na de ontvangen informatie van de huisarts te hebben bestudeerd – gesteld dat onvoldoende gegevens te achterhalen zijn om een exacte belastbaarheid aan te geven per 30 oktober 1966, de dag dat appellante 17 jaar werd. De te beoordelen datum ligt te ver terug om een reële schatting te kunnen maken.

In overeenstemming met de rapportage van de verzekeringsarts van 19 februari 2004, heeft het Uwv appellante bij besluit van 25 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wajong geweigerd omdat niet is vast te stellen of appellante vanaf haar 17-jarige leeftijd onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest.

In verband met het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 februari 2004 heeft bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan appellante op een hoorzitting van 23 augustus 2004 gezien. In een rapport van dezelfde datum heeft deze bezwaarverzekeringsarts weergegeven dat, nu geen informatie van medisch objectiveerbare aard is overgelegd, er geen medisch objectiveerbare feiten zijn die wijzen op beperkingen door evidente psychopathologie en appellante heeft gewerkt van haar 15e tot haar 24e jaar, langdurige arbeidsongeschiktheid niet kan worden geobjectiveerd.

Bij besluit van 26 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante op de dag dat zij 17 jaar werd niet als jonggehandicapte in de zin van artikel 5, eerste lid en onder a, van de Wajong was te beschouwen. Hierbij heeft de rechtbank de conclusies onderschreven van verzekeringsarts Mandl-Buysrogge in haar rapportage van 19 februari 2004 en bezwaarverzekeringsarts Kleinjan in zijn rapportage van 23 augustus 2004. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de stukken is gebleken dat appellante vanaf haar 15e tot haar 22e jaar heeft gewerkt en het in het algemeen niet voor de hand ligt om van een persoon die een arbeidsverleden van enige betekenis heeft, niettemin aan te nemen dat hij destijds arbeidsongeschikt was. Het enkel bestaan van klachten is daarvoor niet toereikend. De rechtbank acht voorts van belang dat de huisarts van appellante, dr. Ferket, in zijn verklaring van 13 juli 2005 heeft opgemerkt dat hij de klachten die appellante al sinds haar jeugd heeft ervaren, niet medisch objectiveerbaar kan maken. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de rapporten van de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat appellante in beroep geen andersluidende medische informatie heeft ingebracht op grond waarvan getwijfeld zou kunnen worden aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen.

In hoger beroep wordt namens appellante – kort gezegd – gesteld dat al sinds de geboorte sprake is van lymfe-oedéem en dat uit diverse door haar ondergane psychologische tests blijkt dat cliënte als gevolg van concentratiestoornissen en depressies haar hele leven al problemen heeft gehad om goed te kunnen functioneren. Ter onderbouwing heeft gemachtigde van appellante diverse medische stukken van de behandelend sector overgelegd. Tevens heeft de gemachtigde van appellante verzocht een onafhankelijk deskundige in te schakelen teneinde de arbeidsongeschiktheid van appellante opnieuw te kunnen beoordelen.

De Raad kan zich volledig vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Ten aanzien van hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd is de Raad van oordeel dat, evenals door het Uwv onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 23 juli 2007 ter zitting is betoogd, uit geen van de in hoger beroep overgelegde medische stukken is gebleken dat objectivering heeft plaatsgevonden van medische arbeidsongeschiktheid of het doorlopen van de wachttijd van 52 weken in de periode van 30 oktober 1966 tot 30 oktober 1967.

Ten aanzien van het verzoek een onafhankelijk deskundige in te schakelen is de Raad van oordeel dat, gelet op hetgeen dienaangaande door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 23 augustus 2004 is gesteld, een deskundige in het kader van een expertise zijn oordeel over het medisch toestandsbeeld van appellante in de periode 1966-1967 niet op andere medische objectiveerbare gegevens kan baseren dan de thans beschikbare. De Raad acht het dan ook niet zinvol om alsnog een onafhankelijk deskundige in te schakelen.

Gelet op het vorenstaande heeft het Uwv appellante terecht een uitkering ingevolge de Wajong geweigerd en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.

MK