Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
06-3052 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering loonsuppletie ogv Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering toe te kennen. Toegekende ontbindingsvergoeding betrekken bij vaststellen recht op loonsuppletie? Strekking van de overwegingen Kantonrechter?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 342
TAR 2008/25

Uitspraak

06/3052 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 mei 2006, 05/1712 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

appellant

Datum uitspraak: 23 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis maatwerkadministra-ties bv. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. R. de Jong, advocaat te Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Van 1 augustus 1981 tot en met 31 december 2004 is betrokkene krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht directeur geweest van de basisschool D. Met ingang van 1 januari 2005 is die overeenkomst ontbonden bij beschikking van de kantonrechter (hierna: kantonrechtersbeschikking) te Venlo. Daarbij heeft die rechter aan betrokkene een vergoeding (hierna: ontbindingsvergoeding) toegekend als bedoeld in artikel 7:685, achtste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van € 150.000,00 bruto, “ten titel van suppletie op de toe te kennen uitkering krachtens de sociale wetgeving danwel elders te verwerven lager salaris”.

1.2. Met ingang van 1 januari 2005 is betrokkene gaan werken als directeur van een andere basisschool. Zijn inkomsten uit die nieuwe betrekking waren ten tijde in geding lager dan die uit de voorheen vervulde directeursfunctie. In verband daarmee heeft betrokkene een aanvraag gedaan om loonsuppletie als bedoeld in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (hierna: Bbwo).

1.3. Die aanvraag is afgewezen omdat, naar de mening van appellant, door middel van de ontbindingsvergoeding al is voorzien in een eventuele inkomensachteruitgang. Na bezwaar is de afwijzing gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 september 2005. Appellant heeft daartoe overwogen dat in artikel 15, veertiende lid, onder a, van het Bbwo is bepaald dat een loonsuppletie uit anderen hoofde of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, waarop betrokkene recht heeft, wordt geacht deel uit te maken van het loon in de nieuwe dienstbetrekking; dat de toegekende vergoeding wordt gezien als een loonsuppletie uit anderen hoofde of daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering, welke dus deel uitmaakt van het loon in de nieuwe dienstbetrekking, en dat op grond van een berekening van het aldus in aanmerking te nemen loon is vastgesteld dat betrokkene geen recht heeft op loonaanvulling.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat het bestreden besluit ten onrechte niet door appellant is genomen, maar namens de voormalige werkgever van betrokkene. Omdat appellant het bestreden besluit voor zijn rekening heeft genomen, heeft de rechtbank dat besluit ook op inhoudelijke gronden beoordeeld. Zij heeft het besluit echter ook in dat opzicht onhoudbaar geacht: ten onrechte heeft appellant zich beroepen op de onder 1.1. geciteerde passage in de kantonrechtersbeschikking. Appellant is opgedragen om, hiervan uitgaande, bij de opnieuw te nemen beslissing op bezwaar een standpunt in te nemen over het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel, inhoudende dat appellant in soortgelijke gevallen wel een loonsuppletie toekent.

3. Appellant kan zich niet met die uitspraak verenigen. In de eerste plaats is hij van opvatting dat niet voorbijgegaan kan worden aan de onherroepelijk geworden (passage in de) kantonrechtersbeschikking. Verder is hij van mening dat de ontbindingsvergoeding in alle gevallen is te beschouwen als een compensatie van de werkgever aan de werknemer voor in de toekomst te derven inkomens- dan wel pensioenachteruitgang, tenzij partijen een ander karakter aan (een deel van) de vergoeding hebben toegekend (bijvoorbeeld immateriële schadevergoeding).

4. Betrokkene kan zich verenigen met de aangevallen uitspraak. Hij is van opvatting dat uit de nota van toelichting op artikel 15, veertiende lid, van het Bbwo blijkt dat die bepaling niet ziet op de ontbindingsvergoeding en zijns inziens volgt dat impliciet uit de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2005, LJN AU5180 en RSV 2006, 40.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.1. De rechtbank heeft aan haar oordeel dat appellant zich in dit geval niet kan beroepen op de onherroepelijk geworden, onder 1.1. geciteerde passage in de kantonrechtersbeschikking, de bijzondere omstandigheden van dit geval ten grondslag gelegd. Het gaat dan om het feit dat de kantonrechter die passage in de beschikking heeft opgenomen zonder dat één van partijen daarom had verzocht, terwijl het hier duidelijk ging om een tussen partijen geregelde ontbinding waarbij in het verzoekschrift en het verweerschrift is volstaan met het noemen van een bedrag als ontbindingsvergoeding, zonder aanduiding van bestemming of karakter. Onder de gedingstukken bevindt zich daarover een verklaring die de griffier van de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo, desgevraagd aan de (toenmalige) gemachtigde van betrokkene heeft geschreven nadat de kantonrechtersbeschikking was gegeven. In die verklaring wordt bevestigd dat de meerbedoelde passage is opgenomen zonder dat één van partijen daarom had verzocht en wordt uitgelegd dat de achtergrond van die ambtshalve toevoeging is gelegen in de sociale verzekeringswetgeving en met name de bepalingen die het recht op werkloosheidsuitkering regelen. De griffier zegt tot slot: “Uw brief heeft ons aanleiding gegeven ons op deze uitvoeringspraktijk te beraden. Ik kan u meedelen dat de kantonrechters van de rechtbank Roermond inmiddels hebben besloten in beginsel deze toevoeging niet meer ambtshalve toe te passen”.

5.1.2. Ofschoon de evenvermelde gang van zaken minst genomen opmerkelijk genoemd mag worden, kan de Raad de rechtbank volgen. De kantonrechter heeft kennelijk niet beoogd in de meerbedoelde passage een uitlating te doen die het appellant mogelijk maakt deze zonder meer als argument te gebruiken om de loonsuppletie te weigeren. Appellant heeft zich dan ook ten onrechte op die passage beroepen.

5.2. Omdat appellant geen grieven heeft aangevoerd tegen de overweging van de rechtbank betreffende het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel, zal appellant daarover in de eerste plaats een nieuwe beslissing (op bezwaar) moeten nemen.

5.3.1. Voor het geval appellant tot de conclusie komt dat het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft, zal appellant moeten vaststellen of, en in hoeverre, hij in dit geval de toegekende vergoeding mag betrekken bij de toepassing van het veertiende lid van artikel 15 van het Bbwo. De Raad acht de stelling van appellant dat de kantonrechtersvergoeding in alle gevallen daarbij betrokken dient te worden, onjuist. Daarvoor kan die vergoeding naar aard en strekking te zeer verschillen van een loonsuppletie.

Anderzijds acht de Raad het standpunt van betrokkene dat die vergoeding nooit in beeld kan komen, eveneens onjuist. De omstandigheid dat de nota van toelichting op artikel 15, veertiende lid, van het Bbwo de kantonrechtersvergoeding niet met zoveel woorden noemt, acht de Raad niet beslissend. Gegeven de strekking van die bepaling dat het niet in de rede ligt dat een dubbele suppletie gegeven moet worden, acht de Raad de tekst: “een loonsuppletie uit anderen hoofde of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende uitkering”, een voldoende basis te bieden voor de conclusie dat die vergoeding onder omstandigheden in beeld kan komen. De door betrokkene genoemde uitspraak van de Raad betreft een andere situatie.

5.3.2. Of en in hoeverre de kantonrechtersvergoeding in aanmerking kan worden genomen bij de vaststelling van het loon uit de nieuwe dienstbetrekking, hangt af van de omstandigheden van het geval. Appellant zal, in het bijzonder uit de standpunten van partijen die hebben geleid tot de toekenning van de vergoeding, moeten vaststellen of en tot welk bedrag beoogd is aan de vergoeding (mede) het karakter van loonsuppletie te geven.

6. De Raad komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

7. In het bovenstaande ziet de Raad aanleiding appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- wegens kosten van juridische bijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

Q