Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2768

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
04-09-2007
Zaaknummer
06-3885 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag. Zeer ernstig plichtsverzuim. In hoedanigheid van begeleider intieme relatie aangegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3885 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2006, 05/2178 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 30 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2007. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Terlingen, advocaat te Amsterdam. De korpsbeheerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland. Op verzoek van appellant is als getuige verschenen en gehoord [naam getuige], eveneens werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

2. Bij besluit van 7 juni 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 30 maart 2005, heeft de korpsbeheerder appellant - geboren in 1950 en sedert 1979 werkzaam als politieambtenaar - met onmiddellijke ingang uit zijn functie strafontslag verleend, op de grond dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Hiertoe is vooral in aanmerking genomen dat appellant in zijn hoedanigheid van begeleider en mentor van een drietal - in het kader van een zogenoemd pilot-project bij de dienst geplaatste - visueel gehandicapte vrouwelijke medewerkers met een van hen een seksuele relatie is aangegaan en van die relatie bij de dienstleiding ook geen melding heeft gemaakt. Naar het oordeel van de korpsbeheerder heeft appellant door deze handelwijze, kort gezegd, misbruik gemaakt van zijn functie ten opzichte van een aan zijn hoede toevertrouwde, door haar handicap kwetsbare en afhankelijke werkneemster. Verder is nog in aanmerking genomen dat ook anderszins is gebleken van ongepast gedrag, in woord en gebaar, tegenover deze en andere vrouwelijke collega's.

3. De rechtbank heeft zich bij de aangevallen uitspraak met deze zienswijze van de korpsbeheerder en de daaraan verbonden consequenties kunnen verenigen. In dit verband heeft de rechtbank voorop gesteld dat appellant als begeleider van visueel gehandicapten, die in het algemeen fysiek afhankelijker zijn van anderen en derhalve ook meer kwetsbaar zijn, in zijn hoedanigheid van begeleider de nodige afstand, verantwoordelijkheid en professionaliteit in acht had dienen te nemen, en dat hij door met een van hen een seksuele relatie aan te gaan - ook al is dit met instemming geschied - de grenzen van zijn functie heeft miskend en misbruik heeft gemaakt van zijn functie.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ook naar het oordeel van de Raad is appellant terecht zeer ernstig aangerekend dat hij in zijn hoedanigheid van begeleider en mentor van een het in het kader van een proef bij de dienst geplaatste, visueel gehandicapte vrouwelijke collega's met een van hen een intieme relatie is aangegaan. De Raad acht dit des te ernstiger nu appellant van (het ontluiken van) die relatie niet direct melding heeft gemaakt bij de dienstleiding.

4.2. De grief van appellant, ook in hoger beroep naar voren gebracht, dat in feite van een ongelijkwaardige relatie geen sprake was en dat zelfs in zekere zin het initiatief daartoe van de vrouwelijke collega is uitgegaan, volgt de Raad niet. In objectieve zin kan niet anders worden vastgesteld dan dat het ging om een medewerkster die door haar handicap in de werksituatie op meer dan gebruikelijke, ook fysieke, begeleiding en hulp was aangewezen, en dus meer dan normaal kwetsbaar en afhankelijk was. Dit brengt mee dat van degene die met zodanige begeleiding en hulpverlening is belast mag worden verwacht dat zelfs de schijn van misbruik van de situatie wordt vermeden. In dit verband mag ook worden verwacht dat bij eventuele, van de betrokken medewerkster uitgaande initiatieven professionele distantie in acht wordt genomen en zonodig melding volgt bij de dienstleiding om te bezien of de begeleiding wel kan worden voortgezet. Door zich te begeven in een, voor de dienstleiding verzwegen intieme relatie met de betrokken medewerkster heeft appellant deze grenzen verre overschreden. Reeds deze omstandigheid acht de Raad voldoende om te spreken van zeer ernstig plichtsverzuim.

4.3. De aan dit plichtsverzuim ten grondslag liggende gedragingen zijn naar het oordeel van de Raad voorts dermate laakbaar dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten, ook niet wanneer de lange en goede staat van dienst van appellant in aanmerking wordt genomen.

4.4. Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd leidt de Raad, in het licht van het onder 4.2. overwogene, niet tot een ander oordeel.

5. Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2007.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD