Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2732

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
03-09-2007
Zaaknummer
05-6530 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Herhaalde aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6530 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 oktober 2005, 04/854

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Hoogendorp.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is werkzaam geweest als bedradingsmonteur en is op 3 december 1991 uitgevallen met huidproblemen aan beide handen. Aan hem zijn bij besluit van

24 november 1992 met ingang van 5 november 1992 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 22 juli 1993 zijn voornoemde uitkeringen met ingang van 18 juli 1993 beëindigd aangezien appellant per laatstgenoemde datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Bij uitspraak van 12 december 1995 heeft de Raad het ter zake van voornoemd besluit ingestelde hoger beroep, niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de (hoger) beroepsgronden. Aldus is het besluit van 22 juli 1993 rechtens onaantastbaar geworden.

Bij brief van 19 februari 1997 heeft appellant het Uwv verzocht om een second opinion inzake zijn arbeidsongeschiktheid. Dit verzoek is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 22 juli 1993 waarbij de AAW/WAO-uitkeringen met ingang van 18 juli 1993 zijn ingetrokken.

Bij besluit van 24 april 1997 is voornoemd verzoek afgewezen omdat niet gebleken was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Bij uitspraak van 11 juli 2001 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van

19 april 1999 waarbij het tegen voornoemd besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, bevestigd.

Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant van 17 november 2003 strekt ertoe dat het Uwv wederom wordt verzocht terug te komen van het besluit van 22 juli 1993.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

Appellant heeft zijn verzoek om aan te tonen dat bij hem op de datum van 22 juli 1993 wel degelijk sprake was van arbeidsongeschiktheid, ondersteund met een veelheid aan gegevens, aangeleverd via een CD-Rom. Deze informatie heeft onder andere betrekking op medische literatuur inzake zijn huidaandoening alsmede behandelingswijzen hiervan, op klachtenprocedures bij diverse instanties, medische tuchtzaken, op verzoeken aan huidfederaties en -fonds, op een veelheid aan literatuur inzake diverse juridische onderwerpen, diverse foto’s van zijn handen op verschillende data, kopieën van diverse diploma’s en getuigschriften.

De stafarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv hebben geen medische gronden gezien die aanleiding zouden moeten geven om tot herziening van het besluit van

22 juli 1993 over te gaan. Bij besluit van 17 maart 2004, in bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 juli 2004, heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6,

tweede lid, van de Awb het verzoek van appellant afgewezen.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft genoemd als bedoeld in

artikel 4:6 van de Awb. De door appellant naar voren gebrachte gegevens zijn veeleer een herhaling van hetgeen appellant reeds in eerdere procedures naar voren heeft gebracht.

De Raad kan zich verenigen met dit oordeel van de rechtbank.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot herhaalde aanvragen, concludeert de Raad dat de door appellant bij zijn verzoek van 17 november 2003 aangevoerde gegevens geen relevante nieuwe feiten en/of omstandigheden opleveren in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

De Raad verwijst hierbij naar de rapportages van stafarts W. Stiekema van

16 februari 2004 en van de bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen van 3 juni 2005. Beiden hebben geconcludeerd dat de aangeleverde informatie, veelal zeer algemeen en voor een aanzienlijk deel niet medisch van aard is. Waar het medische informatie betreft, is dit reeds bekende informatie, die niet als een nieuw feit dan wel als een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb kan worden beschouwd.

Overigens merkt de Raad ten aanzien van de aangedragen informatie op dat het stellen van een diagnose, waarop deze informatie overwegend betrekking heeft, niet van doorslaggevend belang is bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO. Van belang is of er beperkingen zijn die in de weg staan aan het verrichten van arbeid. Uit de stukken die aan het intrekkingsbesluit ten grondslag liggen, is de Raad gebleken dat er beperkingen als gevolg van zijn huidaandoening zijn aangenomen maar dat appellant in staat geacht wordt met die beperkingen werkzaamheden te verrichten waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

Concluderend is de Raad van oordeel dat de van de zijde van appellant aangeleverde documentatie geen nieuwe medische inzichten opleveren ten aanzien van de gezondheidssituatie van appellant op 18 juli 1993.

Ook anderszins is de Raad niet kunnen blijken van feiten en omstandigheden, betrekking hebbend op de hier aan de orde zijnde datum 18 juli 1993, die destijds nog niet bekend waren en uit dien hoofde niet konden worden ingebracht in een procedure met betrekking tot het intrekkingsbesluit van 22 juli 1993. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de motivering van de beslissing te volstaan met een verwijzing naar zijn eerdere besluiten. Er is niet kunnen blijken van enige grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en R.P.T. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2007

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.

MK