Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2007
Datum publicatie
03-09-2007
Zaaknummer
06/4430 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding beroepstermijn niet verschoonbaar. Verzet ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9, geldigheid: 2007-08-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4430 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 juni 2006, 05/4361 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna Uwv)

Datum uitspraak: 31 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet van 25 oktober 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen voornoemde uitspraak heeft appellante verzet gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2007, waar appellante in persoon is verschenen. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 25 oktober 2006 berust hierop, dat het hoger beroepschrift eerst op 28 juli 2006 per fax bij de Raad is ontvangen en derhalve niet binnen de daartoe gestelde termijn van zes weken, welke eindigde op 27 juli 2006, bij de Raad is ingediend.

In verzet heeft appellante - onder meer - aangevoerd dat er in verband met het samenvallen van twee verschillende procedures verwarring is ontstaan tussen appellante en haar gemachtigde over het in te stellen hoger beroep. Appellante verkeerde in de veronderstelling dat haar gemachtigde de beroepsprocedure bij de Raad zou opstarten en eerst op de laatste dag van de beroepstermijn is appellante gebleken dat dit nog niet was gebeurd.

De Raad is van oordeel dat de gevolgen van processuele handelingen, waaronder tevens te verstaan het nalaten daarvan, van een gemachtigde in het algemeen voor rekening dienen te blijven van degene die zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd.

Verder heeft appellante in het verzetschrift aangegeven dat indien zij het beroepschrift op 27 juli 2006 ter post zou hebben bezorgd het beroepschrift tegelijkertijd dan wel later dan haar fax van 28 juli 2006 bij de Raad zou zijn ontvangen.

Dit standpunt gaat eraan voorbij dat in artikel 6:9 van de Awb is geregeld dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen of, bij verzending per post, vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. Bij verzending per fax dient het beroepschrift dus vóór het einde van de termijn door de Raad te zijn ontvangen.

De Raad stelt dan ook vast dat appellante in verzet geen gronden heeft aangevoerd die tot gegrondverklaring van het verzet kunnen of moeten leiden.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

MK