Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2708

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2007
Datum publicatie
03-09-2007
Zaaknummer
05-3673 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening besluit inzake intrekking WAJONG-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3673 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 mei 2005, 04/2041 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 20 juli 1999 is de eerder aan appellante toegekende uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) per 1 februari 2000 ingetrokken om reden dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per die datum minder dan 25% bedroeg. Appellante heeft tegen het besluit van 20 juli 1999 bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 29 december 1999 gegrond verklaard is, bij welk besluit evenwel het primaire intrekkingsbesluit is ingetrokken en de WAJONG-uitkering nader per 1 maart 2000 om dezelfde reden is ingetrokken. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 9 juli 2001 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak op 22 oktober 2002 bevestigd.

Bij schrijven van 10 februari 2004 heeft de gemachtigde van appellante het Uwv verzocht het besluit van 20 juli 1999 te herzien.

Bij schrijven van 11 augustus 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het herzieningsverzoek.

Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft het Uwv het herzieningsverzoek afgewezen, onder overweging dat er geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 30 november 2004 heeft het Uwv het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het herzieningsverzoek gegrond verklaard. Ervan uitgaande dat de gronden van het bezwaar tegen het besluit van 25 oktober 2004 niet waren aangevoerd binnen de termijn die gesteld is in de brief van 26 oktober 2004 (vier weken), is het Uwv gekomen tot de conclusie dat met het besluit van 25 oktober 2004 aan het bezwaar van appellante is tegemoetgekomen. Echter, rond 18 maart 2005 is het het Uwv gebleken dat de gronden van het bezwaar bij brief van 2 november 2004, dus wèl binnen de gestelde termijn zijn aangevoerd, zij het dat deze bij een verkeerde afdeling zijn ingediend. Van mening dat die gronden niet tot een ander oordeel leiden, heeft het Uwv het bezwaar bij het besluit van 7 april 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de in het kader van het herzieningsverzoek overgelegde bescheiden te summier zijn onderbouwd dan wel dat aan de hand van die bescheiden niet kan worden vastgesteld dat deze betrekking hebben op de datum in geding (1 maart 2000).

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de gediplomeerde begeleider van de RIBW Heuvelland en Maasvallei, mevrouw Oostenbach, ten onrechte terzijde is gelegd, dat appellante lijdt aan een ernstige psychische stoornis waar nader onderzoek naar gepleegd moet worden, dat in het verleden de beoordelingen over appellante en haar beperkingen zeer tegenstrijdig met elkaar zijn geweest, dat Uwv ten onrechte de bezwaartermijn van zes weken heeft verkort naar vier weken en dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Appellante is voorts vrijgesteld van de sollicitatieplicht en dat geeft ook aan dat de omstandigheden veranderd zijn.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat niet kan worden gesproken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, dat het Uwv dan ook met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb bevoegd was tot afwijzing van het verzoek om herziening en dat niet kan worden staande gehouden dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt dan wel anderszins onjuist heeft gehandeld. De door appellante bij haar brief van 18 oktober 2004 overgelegde brief van de gemeente Sittard-Geleen van 26 juni 2003, waarin medegedeeld is dat appellante een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangt en op medisch advies vrijgesteld wordt van de sollicitatieverplichting, levert in dit geval geen grond op om terug te komen van het besluit van 20 juli 1999. Het medische advies is niet overgelegd evenmin als het daaraan ten grondslag liggende rapport van medisch onderzoek, terwijl ook niet bekend is of dat onderzoek ziet op de datum thans in geding. Daarbij komt dat de criteria om in aanmerking te komen voor een Abw-uitkering en vrijstelling van de sollicitatieplicht heel andere zijn dan de criteria om in aanmerking te komen voor een WAJONG-uitkering. Ook de brief van mevrouw Oostenbach van RIBW Heuvelland en Maasvallei vormt geen reden om terug te komen van het besluit van 20 juli 1999. Die brief is ongedateerd en niet afkomstig van een medicus, terwijl die brief ook overigens geen aanleiding geeft te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit.

In hoger beroep heeft appellante nader nog overgelegd een behandelplan van het Prins Clauscentrum (de voormalige Riagg) d.d. 16 maart 2007, waarin is vermeld dat appellante lijdt aan een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS). Daargelaten dat het hier gaat om een verzoek om terug te komen van een eerder besluit de toetsing naar de aard van de zaak beperkt is en dat stuk uiterlijk in de bezwaarfase had dienen te zijn overgelegd om te kunnen worden betrokken in de besluitvorming, is niet duidelijk of dat stuk afkomstig is van een medicus en evenmin of het ziet op de datum thans in geding.

De overige stukken op grond waarvan appellante meent dat het Uwv had dienen terug te komen van het besluit van 20 juli 1999 zijn reeds betrokken geweest in de hoger beroepsprocedure die heeft geleid tot de eerder uitspraak van de Raad van

22 oktober 2002.

Voorts overweegt de Raad dat wat er ook zij van de termijn van vier weken om de gronden van het bezwaar in te dienen, niet gebleken is dat appellante in het onderhavige geval daardoor in haar belangen is geschaad, nu de gronden binnen die vier weken zijn ingediend.

Tot slot overweegt de Raad appellante niet te kunnen volgen in haar stelling dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. De rechtbank heeft het beroep van appellante immers ongegrond verklaard.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

TM