Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
06/2049 AW, 06/2071 AW, 06/2750 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing. Fraude? Inhouding bezoldiging. Disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2008/36

Uitspraak

06/2049 AW

06/2071 AW

06/2750 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 maart 2006, 04/1929 en 05/1255 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 16 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Op 2 mei 2006 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Reijnten, werkzaam bij het ministerie van Financiën. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.L.G.M. Roebroek, advocaat te Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Betrokkene was sinds 1972 werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk in de functie van heffingsfunctionaris groepsfunctie C bij de eenheid Belastingdienst/[eenheid]. Daarnaast was betrokkene met haar partner eigenaar van een dansschool, waarvoor zij tevens de administratie verrichtte. Naar aanleiding van een fraudemelding is een nader onderzoek gestart naar mogelijke fraude gepleegd door betrokkene.

1.2. Na ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen in maart 2004 is betrokkene bij brief van 14 juni 2004 in kennis gesteld van het voornemen van appellant haar de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Bij besluit van diezelfde datum is betrokkene geschorst op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en is bepaald dat haar bezoldiging voor één derde deel wordt ingehouden en na verloop van zes weken volledig. Bij besluit van 4 oktober 2004 is de schorsing en de inhouding van de bezoldiging na bezwaar gehandhaafd.

1.3. Bij besluit van 20 september 2004 is betrokkene wegens zeer ernstig plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Bij besluit van 12 mei 2005 is dit ontslag na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 4 oktober 2004 en 12 mei 2005 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en appellant opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene over de periode van 1995 tot en met 2001 te laat of geen aangifte Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen (hierna: IB) heeft gedaan en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Daarmee was appellant bevoegd om betrokkene disciplinair te straffen. Van het door appellant gestelde “zero-tolerance”-beleid ten aanzien van ambtenaren die hun eigen fiscale verplichtingen niet nakomen of anderszins in strijd handelen met de fiscale wet- en regelgeving, is de rechtbank echter niet gebleken. Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom in het geval van betrokkene meteen naar de meest zware sanctie is gegrepen. Gelet op de nauwe verbondenheid tussen het ontslag en de schorsing met inhouding van de bezoldiging heeft de rechtbank ook dit besluit vernietigd.

2.1. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 2 mei 2006 heeft appellant - onder voorbehoud van de uitkomst van zijn hoger beroep - een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij zijn het ontslagbesluit en het besluit tot schorsing met inhouding van bezoldiging gehandhaafd en de bezwaren ongegrond verklaard. Het geding in hoger beroep strekt zich op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede tot dit besluit uit.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Bij het besluit van 12 mei 2005 is, kort samengevat, als plichtsverzuim van betrokkene aangemerkt:

a. het over de periode van 1995 tot en met 2000 te laat of geen aangifte IB doen, waarbij ten aanzien van de aangiften IB 1996 en 1999 uiteindelijk ambtshalve aanslagen zijn opgelegd en wegens het niet tijdig indienen van de aangifte IB 1999 een vergrijpboete is opgelegd;

b. het niet (tijdig) doen van de aangifte IB 2001, hetgeen geleid heeft tot strafrechtelijke vervolging aangezien betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan een omissiedelict als beschreven in artikel 69, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad geldt voor de beoordeling van de bewijslevering in tuchtrechtelijke zaken als de onderhavige het vereiste dat op basis van de beschikbare deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging(en) heeft schuldig gemaakt.

4.3. Niet in geschil is dat betrokkene gedurende de periode van 1995 tot en met 2001 te laat aangifte IB heeft gedaan. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het feit dat betrokkene nadien alsnog aangifte heeft gedaan, onverlet laat dat betrokkene in strijd met de op haar rustende fiscale verplichtingen aanmerkelijk later aangifte heeft gedaan dan is voorgeschreven. Daarbij heeft betrokkene geen uitstel gevraagd voor het indienen van de jaarlijkse aangifte en bij herhaling niet gereageerd op herinneringsbrieven en aanmaningen. Dat betrokkene, naar eigen zeggen, administratieve problemen ondervond bij het doen opstellen van de jaarrekeningen laat onverlet dat zij wel tijdig om uitstel had kunnen vragen en had kunnen reageren op brieven en aanmaningen. Uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene zich ook bewust was van het feit dat zij in strijd met haar fiscale verplichtingen heeft gehandeld. Het onder a. genoemde plichtsverzuim staat dus ook voor de Raad voldoende vast. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat appellant bevoegd was betrokkene disciplinair te straffen.

4.4. Ten aanzien van het onder b. ten laste gelegde verwijt stelt de Raad vast dat appellant dit verwijt enkel heeft gebaseerd op het feit dat strafrechtelijke vervolging wegens het begaan van een omissiedelict als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de AWR is ingesteld. In deze bepaling is - onder meer - het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte en het niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen van aangifte, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, strafbaar gesteld. Voor het zich schuldig maken aan dit omissiedelict heeft de Raad in de gedingstukken echter geen enkele onderbouwing aangetroffen. De Raad acht het feit dat strafrechtelijke vervolging is ingesteld op zichzelf onvoldoende. Omtrent deze vervolging zijn geen bijzonderheden gebleken. Bij zijn oordeel neemt de Raad in aanmerking dat betrokkene steeds gemotiveerd heeft betwist dat het niet tijdig doen van de aangifte IB ertoe heeft geleid dat te weinig belasting is geheven. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betrokkene verweten gedraging - het terzake van de aangifte IB 2001 begaan van een omissiedelict - op een voldoende feitelijke grondslag berust.

4.5. De Raad stelt verder op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde vast dat, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, appellant voor het opleggen van de straf van ontslag niet heeft willen volstaan met te verwijzen naar een “zero-tolerance”-beleid dat ter zake zou worden gevoerd. In feite heeft appellant de merites van deze zaak bezien en is hij op grond van een belangenafweging gekomen tot het strafontslag.

4.6. Bij het bepalen van de strafmaat heeft appellant blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting behalve aan de onder a. vermelde gedragingen vooral ook betekenis toegekend aan het omissiedelict en de strafrechtelijke vervolging ervan. Appellant heeft er evenwel vooralsnog niet van kunnen uitgaan dat dit omissiedelict is begaan, terwijl van het onder a. ten laste gelegde moet worden opgemerkt dat de ambtshalve aanslag en de vergrijpboete wegens het niet (tijdig) indienen van de aangiften IB 1999 zijn vervallen, nadat betrokkene de aangifte over dat jaar alsnog had ingediend. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust waar het gaat om het oordeel van appellant dat de opgelegde straf in verhouding staat tot aard en ernst van het plichtsverzuim. Dit besluit is dan ook genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5. Nu gelet op de toen voorhanden zijnde gegevens reeds kon worden vastgesteld dat het onder b. verweten gedrag niet aan het voornemen tot strafontslag ten grondslag kon worden gelegd, berust de schorsing evenmin op een toereikende grondslag. Gelet hierop heeft de rechtbank het besluit van 4 oktober 2004 tot handhaving van de schorsing en de inhouding van de bezoldiging terecht vernietigd.

6.1. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd, met dien verstande dat appellant een nieuwe beslissing zal moeten nemen op de bezwaren van betrokkene met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

6.2. Uit het voorgaande volgt tevens dat appellant het onder b. genoemde plichtsverzuim ook ten onrechte aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 2 mei 2006 ten grondslag heeft gelegd. Dat besluit dient om die reden eveneens te worden vernietigd.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 805,- wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op de bezwaren van betrokkene dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Vernietigt het besluit van 2 mei 2006;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 805,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD