Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2539

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2007
Datum publicatie
30-08-2007
Zaaknummer
06/6338 WAO, 06/6961 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagloonvaststelling WAO. Weigering terug te komen van in rechte onaantastbaar besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6338 WAO

06/6961 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

1. [Betrokkene]

2. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2006, 06/434 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv

Datum uitspraak: 14 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Ook het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2007. Namens betrokkene is verschenen mr. Van Geffen, voornoemd. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Aan betrokkene is met ingang van 3 juli 1998 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend naar een dagloon van f 103,10 (€ 46,78). Dit dagloon was gebaseerd op de verdiensten van betrokkene bij [werkgever 1] (hierna: [werkgever 1]), bij welke werkgever betrokkene in dienst was op zijn eerste ziektedag (4 juli 1997), en op de verdiensten van betrokkene bij [werkgever 2] (hierna: [werkgever 2]), bij welke werkgever hij laatstelijk van 13 maart 1997 tot en met 2 juni 1997 werkzaam is geweest. Op basis van informatie van deze werkgevers is het Uwv er vanuit gegaan dat betrokkene bij [werkgever 1] een dienstverband had van 12,5 uur per week en bij [werkgever 2] van 18 uur per week. Bij [werkgever 1] was er tevens sprake van overwerk. Anders dan betrokkene bij zijn aanvraag om uitkering had aangegeven, is het Uwv er niet vanuit gegaan dat betrokkene bij [werkgever 1] met ingang van

1 juli 1997 50 uur per week zou gaan werken. Bij [werkgever 1] was hierover niets bekend.

Tegen het besluit tot toekenning van evenbedoelde uitkering heeft betrokkene geen rechtsmiddelen aangewend.

Namens betrokkene is bij brief van 24 januari 2003 verzocht om herziening van het dagloon van de aan hem toegekende WAO-uitkering. Daarbij is gesteld dat dient te worden uitgegaan van een dienstverband bij [werkgever 1] van 50 uur per week, ten bewijze waarvan een urendeclaratie van week 27 van 1997 (30 juni tot en met 4 juli) is overgelegd. Blijkens deze declaratie heeft betrokkene in die week 37,5 uur gewerkt.

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft het Uwv het verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft betrokkene een bezwaarschrift ingediend.

Op 29 december 2004 heeft betrokkene beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.

Bij besluit van 4 oktober 2005 heeft het Uwv, beslissende op het bezwaarschrift van betrokkene tegen het besluit van 31 mei 2005, het dagloon herzien in die zin dat de meeruren die betrokkene bij [werkgever 1] heeft gewerkt meegenomen dienen te worden in het dagloon, en dat de verdiensten bij [werkgever 2] niet mogen worden meegenomen. Rekening houdend met indexeringen heeft het Uwv het vervolgdagloon per 1 november 2005 vastgesteld op € 33,07. De verdiensten bij [werkgever 2] heeft het Uwv niet langer verdisconteerd in het dagloon, omdat ten tijde van de eerste ziektedag van

betrokkene hij geen dienstverband meer had met [werkgever 2] en hij in verband met de beëindiging van dit dienstverband geen uitkering krachtens de Werkloosheidswet had aangevraagd. Bij de herberekening van het dagloon op basis van de verdiensten bij [werkgever 1] is het Uwv er niet vanuit gegaan dat, indien betrokkene niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, hij op 3 juli 1998 bij deze werkgever een dienstverband zou hebben gehad van 50 uur per week.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2005 gegrond verklaard, bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met in achtneming van deze uitspraak en het verzoek om schadevergoeding van betrokkene afgewezen.

Met betrekking tot de stelling van betrokkene omtrent de omvang van zijn dienstverband met [werkgever 1] heeft de rechtbank overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij per

1 juli 1997 een arbeidsovereenkomst zou hebben van 50 uur per week. De omstandigheid dat hij in week 27 in totaal 37,5 uur heeft gewerkt is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake was van een vaste urenuitbreiding.

De rechtbank heeft betrokkene wel gevolgd met betrekking tot het niet langer meenemen van de verdiensten bij [werkgever 2]. Kort gezegd, heeft de rechtbank overwogen dat in het licht van de artikelen 3 en 9 van de Dagloonregelen WAO de omstandigheid dat appellant ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid geen dienstverband had met [werkgever 2], niet van belang is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat met het betrekken van dit dienstverband bij de vaststelling van het dagloon het meest recht wordt gedaan aan het loondervingsbeginsel. Het standpunt van het Uwv dat dit dienstverband niet kan worden betrokken bij de dagloonvaststelling, omdat betrokkene geen WW-uitkering heeft aangevraagd en er evenmin sprake was van nawerking van de verzekering, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het recht.

Betrokkene kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen, voor zover de rechtbank zijn stelling omtrent de omvang van het dienstverband met [werkgever 1] niet heeft gevolgd. Het Uwv kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen, voor zover de rechtbank zijn standpunt omtrent het niet meenemen van het dienstverband met [werkgever 2] niet heeft gevolgd.

Met betrekking tot het gestelde dienstverband met [werkgever 1] overweegt de Raad allereerst dat het verzoek van betrokkene van 24 januari 2003 een verzoek betreft om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit. Naar vaste rechtspraak van de Raad is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan van deze bevoegdheid gebruik maakt, kan dat evenwel niet de weg openen naar een toetsing van het oorspronkelijke besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen. In gevallen als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Daarom zal het in beginsel bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

De Raad stelt vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de hiervoor omschreven maatstaf niet heeft gehanteerd. Hierin ziet de Raad grond deze uitspraak te vernietigen.

Dit betekent evenwel niet dat het inleidend beroep met betrekking tot de aan de verdiensten van betrokkene bij [werkgever 1] ontleende dagloonvaststelling gegrond verklaard dient te worden.

In aanmerking nemende dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ingaande 1 juli 1997 een dienstverband voor 50 uur per week bij [werkgever 1] zou hebben - de urendeclaratie is daarvoor onvoldoende -, is de Raad van oordeel dat het Uwv, wat betreft het tijdvak na het verzoek, bij een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging tot zijn besluit van

4 oktober 2005 heeft kunnen komen.

Het vorenstaande betekent tevens dat niet valt in te zien dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het Uwv niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van het oorspronkelijke besluit terug te komen wat betreft het tijdvak voorafgaande aan de indiening van het verzoek.

Met betrekking tot de verdiensten bij [werkgever 2] overweegt de Raad dat betrokkene voor wat betreft de door hem verrichte werkzaamheden bij [werkgever 2] op zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet meer verzekerd was voor de WAO en dat om die reden bij de dagloonvaststelling de verdiensten bij deze werkgever niet kunnen worden meegenomen. De artikelen 3 en 9 van de Dagloonregelen WAO maken dit niet anders. Dit geldt evenzeer voor het loondervingsbeginsel. Dit laatste brengt met zich dat het beroep van betrokkene op ’s Raad uitspraak van 20 mei 1998, LJN ZB7607, faalt.

Anders dan in de situatie waarop die uitspraak ziet, bieden de bepalingen van de Dagloonregelen WAO in het geval van betrokkene wel uitkomst bij de vaststelling van het dagloon.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 4 oktober 2005 alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad overweegt tot slot dat hij geen termen aanwezig acht voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2005 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

GG