Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
07-542 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/542 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 december 2006, 06/1649 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.M. Dijkstra, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2007. Appellant was in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. Dijkstra. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C. Vork.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 15 december 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Dit besluit is naar appellant verzonden.

Namens appellant heeft de heer M.J. Valent, werkzaam bij administratiekantoor Valent V.O.F., bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Het bezwaar is op 21 februari 2006 bij het Uwv binnengekomen.

Bij besluit van 18 april 2006 (bestreden besluit) is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard om reden dat het niet, zoals voorgeschreven is in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), binnen zes weken na bekendmaking van het besluit is ingediend.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het Uwv het besluit van 15 december 2005 ten onrechte naar hem heeft gestuurd. Het besluit had naar Valent gestuurd moeten worden, omdat hij als gemachtigde optreedt. Bovendien dient de brief van 24 januari 2006 welke Valent op die datum aan het Uwv heeft gezonden, als bezwaarschrift aangemerkt te worden. Ten slotte moet, als wordt uitgegaan van een overschrijding van de bezwaartermijn, deze, wegens persoonlijke problemen (waaronder ziekenhuisopnamen van zowel appellant als zijn vrouw), verschoonbaar geacht worden, aldus appellant.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat het voor het Uwv duidelijk had moeten zijn dat Valent de gemachtigde van appellant was en dat daarom het besluit van 15 december 2005 naar hem had moeten worden gestuurd. Valent heeft als boekhouder gegevens vóór 15 december 2005 uit de bedrijfsboekhouding rechtstreeks aan de arbeidsdeskundige gezonden. Die enkele omstandigheid volstaat niet voor de conclusie dat Valent als gemachtigde van appellant optrad. Ook anderszins was voor het Uwv niet kenbaar dat Valent door appellant als zijn vertegenwoordiger was aangewezen. Onder die omstandigheden volstond, anders dan appellant heeft gesteld, dat het besluit van

15 december 2005 is bekendgemaakt door de toezending aan appellant.

Nu vaststaat dat het besluit op de voorgeschreven wijze aan appellant kenbaar is gemaakt, staat ook vast dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. De bezwaartermijn is een strikte, wettelijk vastgestelde termijn en overschrijding van die termijn leidt er toe dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Niet-ontvankelijkheid blijft achterwege als de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. Het is de Raad niet gebleken dat in het onderhavige geval daarvan sprake is. Hoewel duidelijk is dat appellant voor en tijdens de bezwaartermijn persoonlijke problemen had, is niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is geweest tijdig een (desnoods inleidend) bezwaarschrift tegen het besluit van 15 december 2005 in te dienen, dan wel tijdig de hulp van derden in te schakelen.

Ten slotte overweegt de Raad dat eerder bedoelde brief van 24 januari 2006 terecht niet als bezwaarschrift tegen het besluit van 15 december 2005 is aangemerkt. Met die brief werden jaarrekeningen en een aangifte inkomstenbelasting naar het Uwv gezonden zonder dat daarin enige aanwijzing is te vinden voor bezwaren tegen het besluit van

15 december 2005.

Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

TM