Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
05-7050 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WW-uitkering. Uitkeringsfraude? Terugvordering.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 22a
Werkloosheidswet 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/283

Uitspraak

05/7050 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 oktober 2005, 05/466 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 juli 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2007, gevoegd met de zaken bij de Raad bekend onder de nummers 05/7048 WW, 05/7049 WW, 05/7051 WW, 05/7052 WW, 05/7053 WW, 05/7136 WW, 07/1764 WW, 06/4945 WW, 06/4201 WW en 06/4645 WW. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius en mr. F.H.M.A. Swarts, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen. Ter afdoening zijn de zaken vervolgens gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) alsmede de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellante is van 4 oktober 1999 tot en met 31 december 2002 werkzaam geweest als visverwerkster bij [werkgever] (hierna: de werkgever), van welke vennootschap S. [W.] directeur en grootaandeelhouder is. In de thans in geding zijnde periode, te weten van 4 oktober 1999 tot en met 3 november 2002, ontving appellante een WW-uitkering.

2.2. Naar aanleiding van een melding dat mogelijk sprake is geweest van uitkeringsfraude bij een aantal werknemers van [W.] heeft het Uwv een grootschalig onderzoek doen instellen door een opsporingsfunctionaris, werkzaam bij het directoraat Fraude, Preventie en Opsporing, in welk verband onder andere [W.] en een aantal werknemers, waaronder appellante, zijn gehoord en waarbij de administratie van het bedrijf in beslag is genomen. In het van dat onderzoek opgemaakte verslag komt naar voren dat gedurende langere tijd sprake was van structureel misbruik van de WW door de werknemers van het visfileerbedrijf. Gesteld is dat op initiatief van [W.] verschillende contracten voor onbepaalde tijd zijn omgezet in (al dan niet) tijdelijke contracten (op oproepbasis). Deze omzetting had tot doel een WW-uitkering te verkrijgen. Daarnaast zou zijn gebleken dat de werkbriefjes (slechts voorzien van een dagtekening en handtekening) door de werknemers bij [W.] zijn ingeleverd, die deze vervolgens voor de werknemers invulde. De wijze van invulling was echter niet overeenkomstig de waarheid. [W.] vulde de werkbriefjes zodanig in dat de rechten op een WW-uitkering waren gewaarborgd. De werknemers zagen de werkbriefjes na invulling door [W.] niet meer terug. Verlof- en ziektedagen werden afgewenteld op de WW en de werknemers hebben deels loon en deels WW-uitkering ontvangen terwijl zij volledig hadden gewerkt. Ook werd stelselmatig bij drie volledig gewerkte weken een gewerkte dag als een niet gewerkte dag op de werkbriefjes vermeld teneinde te voorkomen dat het WW-recht zou vervallen en hij de betreffende werknemer in vaste dienst zou moeten nemen. Op deze wijze zorgde [W.] ervoor dat het loon dat hij zijn werknemers uitbetaalde, plus de WW-uitkering, ten minste gelijk was aan het loon dat normaliter uitbetaald zou moeten worden. Hierdoor werd een deel van het loon dat [W.] zou moeten betalen afgewenteld op de WW. De hiervoor geschetste gang van zaken blijkt in het bijzonder uit de ten aanzien van verschillende werknemers opgestelde rapporten werknemersfraude en uit de verklaringen in de zogenaamde “bundel [W.]” (onder andere van de medewerkers R.J. [d. G.], J. [D. C. L. ], S. [T.] en T. [N.-H.]).

2.3. In het naar aanleiding van het onderzoek opgestelde rapport werknemersfraude van 10 november 2004 is ten aanzien van appellante de conclusie getrokken dat zij in de genoemde uitkeringsperiode werkzaamheden bij [W.] heeft verricht en inkomsten heeft genoten, zonder daarvan mogelijk volledig of op juiste wijze melding te maken op de door haar ingeleverde werkbriefjes. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2004 (besluit 1) de aan appellante toegekende WW-uitkering met ingang van 4 oktober 1999 ingetrokken. Bij besluit van 21 december 2004 (besluit 2) heeft het Uwv aan appellante medegedeeld dat de ten onrechte betaalde WW-uitkering over de periode van 4 oktober 1999 tot en met 3 november 2002 tot een bedrag van € 14.260,89 wegens onverschuldigde betaling van haar wordt teruggevorderd en dat niet is gebleken dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Appellante heeft tegen de besluiten 1 en 2 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 16 maart 2005 zijn, voor zover hier van belang, de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daartoe is -samengevat- overwogen dat appellante heeft meegewerkt aan een onjuiste opgave van gewerkte uren gedurende de uitkerings-periode, omdat uit het rapport werknemersfraude is gebleken dat [W.] haar werkbriefjes in afwijking van de feitelijk gewerkte uren heeft ingevuld, terwijl zij werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten zonder daarvan volledig melding te maken. Door deze opzettelijke handeling/fraude is ten onrechte uitkering betaald. Uit artikel 36 van de WW vloeit dwingendrechtelijk voort dat hetgeen onverschuldigd is betaald moet worden teruggevorderd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is de rechtbank er vanuit gegaan dat het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat appellante de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 25 van de WW heeft geschonden en dat de intrekking van de uitkering heeft plaatsgevonden op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Op basis van de verklaringen van [W.], van appellante en van de werknemers [D. G.], [D. C. L. ] en [T.], in onderling verband bezien, heeft de rechtbank voldoende aannemelijk geacht dat [W.] de werkbriefjes van appellante heeft ingevuld aan de hand van de productiestaten om op deze wijze de regie te behouden in verband met te genereren WW-rechten en dat deze werkbriefjes structureel onjuist zijn ingevuld op het punt van de gewerkte uren. De rechtbank heeft appellante verantwoordelijk gehouden voor deze gang van zaken nu zij haar handtekening onder de werkbriefjes heeft geplaatst. Nu appellante als gevolg van het niet (behoorlijk) nakomen van de verplichting van artikel 25 van de WW ten onrechte een uitkering heeft genoten, is het Uwv volgens de rechtbank terecht en op goede gronden tot intrekking hiervan op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW overgegaan en is hetgeen onverschuldigd is betaald op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW mitsdien terecht teruggevorderd.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden, waarbij zij heeft verwezen naar haar op 13 oktober 2004 ten overstaan van de opsporingsambtenaar afgelegde verklaring waarin is aangegeven dat niet zij, maar [W.] de werkbriefjes heeft ingevuld, omdat [W.] dat zo wilde en zij anders geen loon zou krijgen. In hoger beroep heeft zij daar nog aan toegevoegd dat zij de Nederlandse taal niet beheerst en zij er op vertrouwde dat [W.] de werkbriefjes goed invulde. Zij had geen redenen te twijfelen aan de correcte wijze van invulling omdat er een beambte van het Uwv betrokken was bij het invullen van de werkbriefjes en zij regelmatig werkloos was door gebrek aan aanvoer van vis. De verklaringen van andere werknemers kunnen volgens haar niet bijdragen aan het bewijs dat ook zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden door het valselijk invullen en opmaken van de bewuste werkbriefjes. Voorts is de verklaring van [W.] omtrent het structureel valselijk invullen van werkbriefjes in haar visie door de rechtbank ten onrechte als bewijsmiddel gebruikt om op basis daarvan te concluderen dat zij doelbewust heeft meegewerkt aan het valselijk invullen en opmaken van de werkbriefjes, omdat dit pas vanaf 2002 het geval zou zijn.

5. De Raad, beslissend op hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

5.1. Uit de voorhanden gegevens, met name uit het bij het onder 2.3. genoemde rapport werknemersfraude gevoegde procesverbaal van het verhoor van appellante op 13 oktober 2004, blijkt dat appellante ten overstaan van de opsporingsfunctionaris heeft verklaard dat zij op verzoek van [W.] haar werkbriefjes blanco, maar met haar handtekening, bij [W.] inleverde. [W.] vulde op de werkbriefjes de gewerkte uren, de sollicitaties en de dagtekening in en verzond ze, zonder dat appellante de werkbriefjes nog te zien kreeg. Appellante heeft tijdens haar verhoor verklaard dat zij er op vertrouwde dat [W.] de werkbriefjes correct invulde, maar dat zij niet wist of dat ook het geval was. Wel controleerde zij destijds haar loonstrookjes, die volgens haar altijd correct waren. Appellante heeft verklaard de op de werkbriefjes vermelde sollicitaties niet te hebben verricht. Zij heeft desgevraagd verklaard dat uit een vergelijking van de werkbriefjes met betrekking tot de maand oktober 1999 met het loonstrookje over die maand, de conclusie moet worden getrokken dat die werkbriefjes duidelijk niet juist zijn ingevuld. Voor het feit dat het aantal uren dat zij blijkens de beschikbare loonstroken over de maanden januari, juni, juli en oktober van het jaar 2000 heeft gewerkt niet strookt met het aantal gewerkte uren op de op die maanden betrekking hebbende werkbriefjes, heeft zij geen verklaring kunnen geven. [W.] heeft desgevraagd tijdens een verhoor op 2 november 2004 voormelde verklaring van appellante over de wijze van invulling van haar werkbriefjes bevestigd, en verklaard dat hij sollicitaties heeft ingevuld die niet door appellante zijn verricht en gewerkte uren en verdiensten heeft ingevuld die hij heeft afgeleid uit productiestaten. Ook hij heeft de hem voorgehouden verschillen tussen de gegevens op de loonstroken en werkbriefjes niet kunnen verklaren. Gelet op deze verklaringen en in aanmerking nemend dat ook voor de Raad voldoende aannemelijk is geworden dat [W.] de regie wilde houden bij de invulling van de werkbriefjes, staat voor de Raad genoegzaam vast dat de door appellante op haar werkbriefjes verstrekte informatie met betrekking tot de gewerkte dagen en uren niet in overeenstemming is met de door appellante feitelijk gewerkte dagen en uren. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante de op haar rustende verplichting als bedoeld in artikel 25 van de WW niet is nagekomen. De door appellante aangevoerde grieven dat [W.] haar behulpzaam was bij het invullen van de werkbriefjes omdat zij de Nederlandse taal niet goed beheerst, en dat zij -nu dit met medeweten van een medewerker van (de rechtsvoorganger van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geschiedde- geen redenen had te twijfelen aan de wijze waarop hij dat deed, hebben niet kunnen leiden tot een ander oordeel van de Raad. In het kader van artikel 25 van de WW is het appellantes verantwoordelijkheid er voor te zorgen dat de juiste informatie wordt verstrekt.

5.2. Het Uwv heeft de uitkering van appellante over de relevante periode geheel ingetrokken, van mening zijnde daartoe op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW gehouden te zijn. Ingevolge dat artikelonderdeel herziet het Uwv een besluit tot toekenning of trekt dat in indien schending van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Om aan dat artikelonderdeel toepassing te kunnen geven zal, naar het oordeel van de Raad, de omvang van de verzwegen werkzaamheden die leiden tot de conclusie dat in het geheel geen recht op uitkering is ontstaan dan wel dat dat uitkeringsrecht geheel of gedeeltelijk is geëindigd, moeten worden vastgesteld. Het Uwv heeft die omvang niet vastgesteld omdat het meende niet over voldoende informatie te beschikken. In dat verband merkt de Raad op dat volgens zijn vaste rechtspraak, indien achteraf de omvang van de in strijd met artikel 25 van de WW verzwegen werkzaamheden niet (meer) kan worden bepaald aan de hand van een deugdelijke administratie, het Uwv de omvang van die werkzaamheden mag schatten.

Nu een dergelijke vaststelling niet heeft plaatsgevonden en de uitkering over de betreffende periode geheel is ingetrokken en volledig is teruggevorderd, kan het bestreden besluit in zoverre geen stand houden.

5.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering, evenals het bestreden besluit op die onderdelen, dient te worden vernietigd. Dat houdt in dat het Uwv opnieuw op de bezwaren van appellante zal dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal het Uwv tevens aandacht dienen te besteden aan het verzoek van appellante om op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in aanmerking te komen voor de in de bezwaarfase gemaakte kosten.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden in zaaknummer 05/7048 WW.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 maart 2005 voor zover betrekking hebbend op de intrekking en de terugvordering van de WW-uitkering;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op het bezwaar van appellante beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante, op de wijze als bedoeld in 6., te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.R.S. Bacon.