Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2391

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
28-08-2007
Zaaknummer
05/4890 WAO + 06/1993 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Na gegrondverklaring beroep, bij nader besluit intrekking gehandhaafd. Overschrijding belastbaarheid? Motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4890 WAO en 06/1993 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 juni 2005, 04/1941

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007. Appellante is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 9 juni 2004 heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 januari 2004 waarbij de aan appellante per

29 december 1998 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekende WAO-uitkering per 21 februari 2004 is ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan bedragen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 juni 2004 (bestreden besluit 1) gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij in de gedingstukken geen grond ziet om te oordelen dat de belastbaarheid van appellante is overschat, onder aantekening dat appellante geen medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat zij op de datum in geding (14, doch lees 21 februari 2004) verdergaand beperkt moet worden geacht en dat voor de stelling van appellante dat ten onrechte is nagelaten een urenbeperking vast te stellen in de voorliggende stukken onvoldoende steun is te vinden.

Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft de rechtbank overwogen dat één van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten die van medewerker tuinbouw met sbc-code 242030, gelet op de inhoud van die functie met name wat het aantal malen per uur buigen betreft mogelijk in strijd komt met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid en dan ook niet zonder nadere motivering aan de schatting ten grondslag had mogen worden gelegd. Weliswaar zijn de overblijvende twee functies, te weten productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (111172) en inpakker (111190), medisch wel aanvaardbaar en vertegenwoordigen zij elk voor zich voldoende arbeidsplaatsen, maar samen kunnen zij de ingevolge artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit op tenminste drie functies met voldoende arbeidsplaatsen te baseren schatting niet dragen.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij medisch meer is beperkt dan door het Uwv alsook de rechtbank is aangenomen en dat met name vanwege haar nog steeds beperkte energetische belastbaarheid ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld, terwijl zij daarnaast na fysieke inspanning verergerende klachten heeft over pijn ter plaatse van de overgang van nek naar hoofd. Voorts heeft appellante gesteld dat vanwege het Uwv niet (naar behoren) is gemotiveerd waarom de gesignaleerde overschrijdingen van haar functionele mogelijkheden toelaatbaar zouden zijn.

Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en bij nieuw besluit op bezwaar van

29 september 2005 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard, zulks wat de motivering betreft onder verwijzing naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk van 12 september 2005.

Aangezien het Uwv bij het nieuwe besluit op bezwaar niet (volledig) aan het door appellante ingestelde hoger beroep is tegemoet gekomen, moet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, dat hoger beroep worden geacht mede te zijn gericht tegen dat nieuwe besluit en zal de Raad een oordeel moeten geven over dat besluit. Aangezien voorts de door appellante in hoger beroep ingebrachte grieven alle ten volle aan de orde kunnen en zullen komen bij de beoordeling van het nieuwe besluit, terwijl geen verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb voorligt, heeft appellante bij beoordeling van de aangevallen uitspraak geen in rechte te beschermen belang meer, zodat zij in haar hoger beroep niet-ontvankelijk kan en zal worden verklaard.

Wat de medische grondslag van het nieuwe besluit betreft is de Raad van oordeel dat er onvoldoende grond bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, waarnaar hij dan ook verwijst en die hij tot de zijne maakt. Daarbij tekent de Raad nog aan dat appellante geen nieuwe medische stukken ter onderbouwing van haar standpunt heeft ingebracht. Wel heeft appellante bij brief van 28 maart 2006 nog een kennelijk van Revalidatiecentrum De Hoogstraat afkomstig stuk “Oriëntatie mbt mogelijkheden richting arbeidsmarkt” overgelegd, maar - daargelaten dat niet duidelijk is van welke datum dat stuk is, door wie in welke hoedanigheid dat stuk is opgesteld en op welke datum dat stuk ziet - uit dat stuk kunnen geen medisch gefundeerde gegevens worden gedestilleerd die aanleiding kunnen geven tot aanscherping van de belastbaarheid van appellante ten tijde in geding

(21 februari 2004).

De bij de eerstejaars verzekeringsgeneeskundige herbeoordeling op 6 september 2000 vastgestelde urenbeperking (maximaal 12 uur per week) is bij de vijfdejaars verzekeringsgeneeskundige herbeoordeling op 31 oktober 2003 (rapport van

4 november 2003) opgeheven in die zin dat appellante gezien anamnese, dagverhaal, onderzoek en ook presentatie van de klachten belastbaar was te achten voor passende arbeid voor haar oorspronkelijke aantal uren per week (en dat is 24 uur per week als tandartsassistente). Aan die opheffing lag, zo is in de bezwaarfase met instemming van de bezwaarverzekeringsarts A.D.C. Huijsmans toegelicht (rapport van 24 mei 2004), ten grondslag dat appellante niet om medische redenen was verplicht om een deel van de dag te rusten of om een medische behandeling te volgen. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad in de voorliggende stukken voldoende steun kunnen vinden voor het standpunt van appellante dat het Uwv vanwege haar beperkte energetische belastbaarheid ten onrechte heeft nagelaten per 21 februari 2004 van een urenbeperking uit te gaan.

Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft appellante zich allereerst op het standpunt gesteld dat er sprake is van een motiveringsgebrek, aangezien de bezwaarverzekeringsarts niet bij alle aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft beargumenteerd waarom de overschrijdingen van haar belastbaarheid toelaatbaar zouden zijn. Voorts heeft appellante gesteld dat om diverse andere redenen functies niet geduid hadden mogen worden. Aangezien het hier niet gaat om een einde-wachttijd-situatie en de ene bij het nieuwe besluit op bezwaar nader geduide functie niet behoort tot dezelfde functiebestandscode als waartoe de functie behoort welke door het Uwv niet langer wordt gehanteerd, is die functie niet aanvaardbaar. Aangezien voorts de maatmanfunctie een urenomvang van 22,25 in plaats van 24 uur per week heeft, voldoen twee van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet aan het zogeheten bandbreedte-criterium, terwijl ten aanzien van de aan dat criterium wel voldoende nader geduide functie een reductiefactor (minder dan 1,00) had moeten worden toegepast. Bijgevolg resteren er te weinig functies om de schatting nog te kunnen dragen, aldus tot slot appellante.

Bij - in copie rechtstreeks aan appellante gezonden - brief van 29 mei 2007 heeft het Uwv in reactie op dat nadere standpunt van appellante, onder verwijzing naar het bij die brief gevoegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk van 25 mei 2007, aangevoerd dat nader onderzoek naar de omvang van de maatmanfunctie heeft uitgewezen dat die omvang inderdaad 22,3 uur per week is, dat als gevolg daarvan het (geïndexeerde) maatmaninkomen op de datum in geding € 11,47 bruto per uur bedraagt en dat de bandbreedte 26,3 uur per week is.

Buiten die bandbreedte vallen de twee van de tot de geduide functie van inpakker (111190) behorende functieversies, maar, aangezien bij onderzoek op 25 mei 2007 is gebleken dat het CBBS per de datum in geding dezelfde functie ook in een lager aantal uren per week (te weten 22) bevat, terwijl die functieversie qua belasting en beloning daaraan gelijk is, kan die functieversie worden toegevoegd aan de functieduiding. Aangezien voorts de reductiefactor bij een omvang van de maatmanfunctie van 22,3 uur per week bij elk van de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies 1,00 is, wordt het verlies aan verdiencapaciteit 7,84% en blijft dat verlies dus minder dan 15%. Het Uwv is dan ook van mening dat het nieuwe besluit op bezwaar de toets der aan te leggen kritiek kan doorstaan.

De Raad kan zich vinden in de evenvermelde conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 mei 2007 wat de bandbreedte betreft. Weliswaar heeft de toevoeging van die ene functieversie in een erg laat stadium plaatsgevonden, maar nu de opstelling van appellante daaraan debet is (zij heeft eerst bij brief van 8 mei 2007 gesteld dat de geduide functies niet voldoen aan het bandbreedtecriterium) en die functie qua belasting en beloning gelijk is, ziet de Raad geen aanleiding dááraan gevolgen te verbinden wat de motivering betreft.

Er is evenwel een ander, door de bezwaararbeidsdeskundige niet opgelost, probleem wat de motivering van de mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellante betreft.

In de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en de kritische FML (kFML), beide van

31 oktober 2003, is vermeld dat appellante onder meer wat het persoonlijk functioneren betreft op een vijftal onderdelen beperkt is. Appellante heeft in haar aanvullende bezwaarschrift aangevoerd en is sedertdien blijven aanvoeren dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op met name het onderdeel persoonlijk functioneren de grenzen van haar belastbaarheid te buiten gaan, althans niet (afdoende) is gemotiveerd waarom die grenzen niet zouden zijn overschreden.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de functies met de sbc-codes 111172 en 111190 overwogen dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd waarom appellante in staat moet worden geacht tot vervulling van deze functies, onder aantekening dat de niet-gematchte punten waarop appellante in de FML beperkt wordt geacht, in die functies geen rol spelen.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft zich op 12 september 2005 geconcentreerd op het vinden van een andere functie ter vervanging van de derde aan de eerdere schatting ten grondslag gelegde functie. Ten aanzien van de functies met sbc-code 111172 en 111190 met exact dezelfde functienummers, functieversies en (dus) functiebelasting als die welke reeds door de rechtbank zijn beoordeeld en akkoord bevonden, heeft hij het standpunt ingenomen dat hij daarom kan volstaan met (op het resultaat functiebeoordeling) het vermelden bij de signaleringen van een G (hetgeen betekent: geen nadere motivering nodig), sommige met *, de overige zonder * (waarbij * betekent dat er geen overeenkomende beoordelingspunten op de FML en in de functiebelasting zijn en dat daarom geen geautomatiseerde vergelijking van deze punten plaatsvond, de zogenoemde niet-matchende items).

Ter zitting is namens het Uwv desgevraagd verklaard dat ten aanzien van de in het resultaat functiebeoordeling aangegeven mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante de motivering van bestreden besluit 2 tekort schiet.

De Raad deelt dit nadere standpunt van het Uwv. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspra-ken van 12 oktober 2006 (onder meer LJN:AY9973), waarin is overwogen dat de door het systeem aangebrachte signaleringen, welke immers erop duiden dat met betrekking tot een onderdeel of meerdere onderdelen van de functiebelasting mogelijkerwijs sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of op die punten, alle worden voorzien van een afzonderlijke toelichting waaruit kan blijken dat en waarom van een daadwerkelijke over-schrijding (toch) geen sprake is. De enkele verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank is daar-toe onvoldoende. Dit klemt te meer nu het hoger beroep van appellante mede gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat deze functies voor haar geschikt zijn.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek. Het beroep is derhalve gegrond en bestreden besluit 2 dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 322,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep, dat wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit op bezwaar van

29 september 2005, gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, aan appellante te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en

I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) N.E. Nijdam.