Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2355

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
28-08-2007
Zaaknummer
05-2520 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenmalige uitkering, omgezet in stamrechtuitkering. Inkomen ivm arbeid in de zin van de TW? Gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2520 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 maart 2005, 04/765 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.C.S. van Deijk-Amzand, werkzaam bij FNV Bondgenoten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De gronden van het beroep zijn nader aangevuld bij brief van 19 juni 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Toeslagenwet (Tw) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellants voormalige werkgever [werkgever] heeft hem per datum uitdiensttreding 1 maart 1998 een eenmalige uitkering toegekend van fl. 178.871,-- bruto. Die uitkering is per die datum omgezet in een stamrechtuitkering ten behoeve van appellant, in de vorm van een lijfrente uitkering. Aan appellant is ingaande 15 december 1998 een loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet toegekend, per 14 april 2003 gevolgd door de vervolguitkering. Appellant heeft verzocht hem in aanmerking te brengen voor een toeslag krachtens de Tw. Bij besluit van 25 februari 2004 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen, welke afwijzing bij het op bezwaar gegeven besluit van 30 juni 2004 (het bestreden besluit) is gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, omdat het Uwv in verweer dat besluit van een andere grondslag dan die waarop het aanvankelijk steunde, heeft voorzien. Zij heeft de rechtsgevolgen van dat besluit volledig in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de lijfrente-uitkeringen, voortvloeiend uit het stamrecht, op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder g, van het Inkomensbesluit Toeslagenwet zijn aan te merken als ‘inkomen in verband met arbeid’, dat voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Tw als inkomen geldt. Met die lijfrente-uitkeringen heeft appellant ten tijde in geding een hoger inkomen dan het minimumloon, zodat hij geen recht heeft op een toeslag.

4. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit. Appellant meent dat het geen verschil mag maken of de ontslagvergoeding als bedrag ineens wordt uitbetaald of in de vorm van een stamrecht. Appellant doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat, naar zijn zeggen, aan collega’s van hem wel een toeslag is toegekend.

5.1. Het oordeel van de rechtbank komt geheel overeen met het oordeel dat de Raad heeft gegeven over gelijkluidende bepalingen van het Inkomensbesluit IOAW in zijn - aan partijen bekende - uitspraak van 19 april 2005, LJN AT4952, RSV 2005/19, USZ 2005/228 en JSV 2005/74. Eenzelfde oordeel heeft de Raad gegeven over het Inkomensbesluit Toeslagenwet in zijn uitspraak van 31 augustus 2005, LJN AU3213. De Raad is in het geval van appellant een gelijk oordeel toegedaan en hij volstaat hier naar voornoemde uitspraken te verwijzen.

5.2. Aan het beroep op het gelijkheidbeginsel gaat de Raad, met het Uwv en de rechtbank, voorbij nu dit op geen enkele wijze is toegelicht en onderbouwd.

6.1. Op grond van het hiervoor overwogene is de Raad tot het oordeel gekomen dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

RH