Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2350

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2007
Datum publicatie
28-08-2007
Zaaknummer
06-6674 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mededeling, strekkende tot opleggen betalingsverplichting als eigenrisicodrager, aangemerkt als besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6674 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 oktober 2006, 06/1647 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[Betrokkene]

en

appellant.

Datum uitspraak: 9 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is met toestemming van partijen achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

Bij brief van 7 februari 2005 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat zij, gezien het feit dat zij per 1 juli 2004 eigen risicodrager is geworden, op grond van artikel 75a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vanaf deze datum zorg dient te dragen voor de betaling van de WAO-uitkering, welke met ingang van 16 januari 2003 is toegekend aan haar (ex)werkneemster M.S. [L.] zolang deze nog geen 5 jaar heeft geduurd. Deze uitkering bedraagt met ingang van 1 juli 2004 € 7,22 bruto per uitkeringsdag. Bij besluit van 4 november 2005 heeft appellant de bezwaren hiertegen ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank -met bepalingen betreffende de vergoeding van proceskosten en griffierecht- het door betrokkene tegen het besluit van 4 november 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 november 2004 (LJN: AR 5915), overwogen dat de mededeling betreffende de toerekening van de WAO-uitkering van de (ex)werkneemster [L.] aan betrokkene als werkgever in dit geval geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met deze mededeling informeert appellant betrokkene alleen over de direct uit de wet voortvloeiende gevolgen van het eigen risicodragerschap na de toekenning van een WAO-uitkering aan een (ex)werknemer van haar.

De door appellant tegen dit oordeel gerichte grond slaagt. Hiervoor verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 oktober 2006, gepubliceerd in RSV 2006/353 en USZ 2006/330. Zoals blijkt uit deze uitspraak is de Raad -anders dan in zijn uitspraak van 11 november 2004- thans van oordeel dat een mededeling, zoals gedaan in de brief van 7 februari 2005, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, strekkende tot opleggen van een betalingsverplichting. Het feit dat de in artikel 75a, vierde lid, eerste volzin van de WAO vervatte betalingsverplichting voortvloeit uit de wet, nadat is vastgesteld dat aan de in artikel 75a, eerste tot en met derde lid, gestelde voorwaarden is voldaan, maakt dit, gegeven de in die leden vervatte beslismomenten, ook al hebben deze in de regel een beperkte strekking, niet anders. Tegen een dergelijk besluit kan dan ook bezwaar en beroep worden ingesteld.

De aangevallen uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.De Raad acht termen aanwezig om het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet ter afdoening terug te wijzen naar de rechtbank.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Haarlem.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.