Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
05-6424 WSF + 05-6425 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit(en) inzake ouderlijke bijdrage. Vernietiging aangevallen uitspraak. Rechtbank had nadere besluit op grond van 6:19 Awb bij haar beoordeling moeten meenemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6424 WSF + 05/6425 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 28 oktober 2005, 04/763 en 04/1197 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellante

Datum uitspraak: 10 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2007. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Aan de zoon van betrokkene (Sander) is door appellante studiefinanciering toegekend.

Het inleidende beroep richt zich, voor zover in hoger beroep nog van belang, primair tegen het besluit van appellante van 5 juli 2004, waarbij appellante de bezwaren van betrokkene tegen de beslissing om zijn veronderstelde ouderlijke bijdrage voor Sander over juli 2004 tot en met december 2004 vast te stellen op € 149,13 per maand, ongegrond heeft verklaard.

Bij besluit van 21 augustus 2004, hangende het inleidende beroep, heeft appellante de over juli 2004 tot en met december 2004 voor Sander in aanmerking te nemen veronderstelde ouderlijke bijdrage nader vastgesteld op € 66,48 per maand.

De rechtbank heeft het inleidende beroep tegen het besluit van 5 juli 2004 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, een en ander met een aanvullende beslissing inzake de vergoeding van het door betrokkene betaalde griffierecht. Daartoe is overwogen dat het bestreden besluit van 5 juli 2004 niet berust op een deugdelijke motivering en onzorgvuldig is voorbereid.

Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep met reg.nr. 04/763 gegrond is verklaard en het besluit van 5 juli 2004 is vernietigd. Zij is van mening dat het bestreden besluit naar behoren is gemotiveerd en dat haar bezwaarlijk onzorgvuldigheid kan worden verweten, nu de laatste wijziging van het bedrag van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voortvloeit uit een feit dat eerst na het nemen van het bestreden besluit bekend is geworden.

De Raad overweegt allereerst ambtshalve dat de rechtbank het nadere besluit van

21 augustus 2004 met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten meenemen. De Raad zal doen wat de rechtbank had moeten doen,

namelijk het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaren (met

vergoeding van griffierecht) en het besluit van 21 augustus 2004 toetsen op de grondslag van het beroepschrift.

Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat appellante rekening dient te houden met zijn alimenta-tieverplichtingen en met het feit dat hij de ouderlijke bijdrage niet kan betalen omdat dat de ali-mentatiegerechtigde beslag heeft gelegd op zijn salaris. Deze grieven treffen geen doel. Ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 is immers slechts het

gecorrigeerde verzamelinkomen maatgevend bij de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage.

De Raad merkt hierbij nog op dat de veronderstelde ouderlijke bijdrage in wezen niets anders is dan een rekeneenheid die nodig is om te bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, een studerende aan-spraak heeft op een aanvullende beurs. Van een in rechte afdwingbare verplichting om (naast ali-mentatie) de veronderstelde ouderlijke bijdrage af te dragen is geen sprake.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet het inleidende beroep van betrokkene voor zover dit wordt geacht gericht te zijn tegen het besluit van 21 augustus 2004 ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een proces-kostenveroordeling uit te spreken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep tegen het besluit van 5 juli 2004 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2004 ongegrond;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep het door betrokkene betaalde griffierecht ten

bedrage van € 37,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Graus als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) J.P. Graus.

DK