Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
05-4764 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAZ-uitkering. Gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4764 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van

7 juli 2005, 05/1157 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De opvolgend gemachtigde van appellante, mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, heeft bij brief van 16 mei 2007 de gronden van het hoger beroep aangevuld. Namens appellante is nog een brief d.d. 21 juni 2007 van de haar behandelende osteopaat

A.J. van der Maas, overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 13 juli 2007. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Bij het bestreden besluit van 16 november 2004 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 24 november 2003, waarbij aan appellante terzake van haar op 1 augustus 2000 ingetreden arbeidsongeschiktheid, per 31 juli 2001 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, zich beperkend tot het geschil tussen partijen, geoordeeld dat het Uwv de zogenoemde eerste arbeidsongeschiktheidsdag in redelijkheid op 1 augustus 2000 heeft kunnen stellen, en het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat haar arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAZ is ingetreden op 5 februari 1999, toen zij slachtoffer was van een verkeersongeval, en niet pas op 1 augustus 2000.

De Raad overweegt als volgt.

Het geschil tussen partijen in dit geding is beperkt tot het antwoord op de vraag, wanneer appellante arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ is geworden. De bepaling van deze eerste arbeidsongeschiktheidsdag is in dit geval onder meer van belang voor de vaststelling van de hoogte van de grondslag waarnaar de WAZ-uitkering van appellante wordt berekend en voor de ingangsdatum van de uitkering op grond van artikel 36 van de WAZ. In artikel 7, eerste lid, van de WAZ is bepaald dat als eerste dag van arbeidsongeschiktheid geldt, de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Voorts is in het zesde lid van dat artikel voor zover van belang bepaald, dat de verzekerde die minder dan 25% arbeidsongeschikt is, niet als arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellante werkzaam is geweest als zelfstandig tekentherapeute, en daarnaast les heeft gegeven. In februari 1999 was zij betrokken bij een auto-ongeluk, waaraan zij nekklachten heeft overgehouden, die volgens de haar behandelende neuroloog J.W. Stenvers als whiplash-syndroom kunnen worden geduid. In augustus 2000 zijn tijdens het zeilen handklachten ontstaan, die door Stenvers als RSI zijn benoemd.

Appellante heeft op 27 maart 2002 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd. Zij heeft in het door haar ondertekende aanvraagformulier aangegeven dat haar eerste dag van arbeidsongeschiktheid 7 augustus 2000 is. De verzekeringsarts N. Blokland heeft appellante op het spreekuur d.d. 27 augustus 2002 gesproken. Zij heeft in haar rapportage van dezelfde datum genoteerd dat appellante in 1999 een whiplashtrauma heeft opgelopen met later in augustus 2000 een bijkomend bewegingstrauma, waarbij er pas vanaf augustus 2000 sprake is van een hulpvraag en min of meer invaliderende beperkingen. Zij meent dat, aansluitend bij de hulpvraag, de eerste arbeidsongeschikt-heidsdag op 1 augustus 2000 gesteld kan worden. De bezwaarverzekeringsarts

J.M. Fokke kan zich blijkens zijn rapport van 23 september 2004 in deze beoordeling vinden. Hij heeft aangegeven dat het bij een ziektebeeld zoals dat sinds 1999 bij appellante aanwezig is, algemeen geaccepteerd is om enige beperkingen in acht te nemen voor bovennormale fysieke belasting, maar dat dat in dit geval niet leidt tot een andere beoordeling, omdat dergelijke werkzaamheden minder dan 25% van haar eigen werkzaamheden uitmaken.

Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt informatie van haar huisarts overgelegd waaruit blijkt dat zij op 24 februari 1999 het spreekuur heeft bezocht in verband met de aanrijding op 5 februari 1999, met sindsdien nekklachten en hoofdpijn. Zij heeft voorts gesteld dat zij haar werkzaamheden in de loop van 1999 in verband met haar klachten heeft verminderd, wat ook blijkt uit de afnemende winstcijfers.

Voor de vraag wanneer de arbeidsongeschiktheid van appellante is ingetreden, geldt naar het oordeel van de Raad allereerst als uitgangspunt de datum die zij bij haar aanvraag heeft genoemd, begin augustus 2000. Dit geldt te meer, nu appellante pas op

27 maart 2002 een uitkering heeft aangevraagd, zodat niet anders dan door een retrospectieve beoordeling kan worden vastgesteld wanneer zij arbeidsongeschikt is geworden. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv op basis van een voldoende zorgvuldig onderzoek terecht uitgegaan van de datum 1 augustus 2000. Deze datum is niet alleen door appellante zelf aangegeven, maar wordt bevestigd doordat zij zich ook niet eerder onder behandeling van specialisten heeft gesteld. Hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd, biedt naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de keuze van het Uwv als onjuist aan te merken en van een eerdere datum uit te gaan. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het bezoek aan de huisarts en het bestaan van klachten samenhangend met een whiplashsyndroom, op zich geen reden zijn om aan te nemen dat appellante daardoor in betekenende mate als arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ moet worden beschouwd. Ook in de zich onder de gedingstukken bevindende informatie van de reumatoloog L.G.F. Sinnige, de neuroloog J.W. Stenvers en de osteopaat A.J. van der Maas vindt de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag. In het licht van deze gegevens vormt de afgenomen winst in 1999 evenmin een doorslaggevend argument voor een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag, nu dit op zich geen direct verband hoeft te houden met objectief medisch vaststelbare beperkingen van appellante. Hierbij heeft de Raad ook betrokken, wat ook naar voren komt in de visie van de bezwaarverzekeringsarts zoals blijkt uit zijn rapport van 23 september 2004, dat de mogelijk sinds het verkeersongeval subjectief door appellante ervaren klachten, nog niet leiden tot objectief medisch vastgestelde beperkingen als gevolg waarvan appellante voor tenminste 25% arbeidsongeschikt kan worden geacht.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de slotsom dat de grieven van appellant geen doel treffen en dat de aangevallen uispraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, en A.T. de Kwaasteniet en R.P.T. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) S. Sweep.

MR

bijl