Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
05-3521 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Vastgestelde belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3521 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 april 2004, 04/1354 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 10 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij

D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstandverzekeringmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2007.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van het Uwv van 21 april 2004, waarbij is gehandhaafd het besluit appellante per 20 mei 2003 een WAO-uitkering toe te kennen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, gegrond is.

De rechtbank heeft het besluit van 21 april 2004 vernietigd; een en ander met nadere beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft voorts aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit van

21 april 2004 in stand te laten. De rechtbank heeft hiertoe kort samengevat overwogen dat de juistheid van het besluit, voor zover aangevochten, eerst is komen vast te staan na een nadere in beroep gegeven toelichting.

Appellante bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat de opvatting van het Uwv omtrent haar mate van arbeidsongeschiktheid inhoudelijk juist is. Zij heeft hiertoe gesteld dat zij per 20 mei 2003 niet belastbaar was met arbeid, althans in ieder geval zodanig beperkt was dat zij niet in staat was gedurende twintig uren per week arbeid te verrichten. Zij achtte vier uren per week arbeid het maximaal haalbare.

Naar de mening van appellante hebben het Uwv en de rechtbank onvoldoende waarde gehecht aan de opvatting van de huisarts van appellante en de Arbo-arts, alsmede aan het rapport van de behandelende psychiater F.P. Bish van 24 mei 2004. Naar haar mening blijkt uit deze opvattingen en uit het rapport haar gelijk.

Ten slotte heeft appellante nog gesteld dat het Uwv niet duidelijk heeft gemaakt of van haar wordt verwacht dat zij 12 uren of 20 uren per week werkzaamheden verricht.

De Raad volgt appellante niet in haar standpunten.

De Raad is met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen van oordeel dat hetgeen van de zijde van appellante is aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat het Uwv een onjuist of onvolledig beeld van de medische situatie van appellante per

20 mei 2003 heeft, dan wel de beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid heeft onderschat.

Ook naar het oordeel van de Raad kan uit het rapport van Bish, anders dan appellante meent, niet worden opgemaakt dat hij van opvatting is dat appellante per 20 mei 2003 – appellante was toen overigens nog niet bij hem onder behandeling – niet met werkzaamheden belastbaar was. Het rapport bevat geen opvatting van de psychiater per die datum.

De stelling van appellante dat zij inmiddels per 27 augustus 2004 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht en dat bij dit besluit het rapport van Bish een belangrijke rol heeft gespeeld, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat de datum waartegen de beoordeling van de gezondheidsituatie van appellante heeft plaatsgevonden een andere is dan hier in geding, heeft het Uwv ter zitting verklaard dat het besluit waarbij appellante per 27 augustus 2004 volledig arbeidongeschikt is geacht voor een belangrijke deel op arbeidskundige gronden rust.

Van een onduidelijkheid omtrent het aantal uren waarvoor appellante geschikt wordt geacht om werkzaamheden te verrichten is de Raad niet gebleken. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten dat appellante is medegedeeld dat zij slechts 12 uren zou kunnen werken.

In de haar op 8 mei 2003 toegezonden brief van de arbeidsdeskundige is vermeld dat zij voor maximaal vier uren werken per dag geschikt is. Naar uit het proces-verbaal van de hoorzitting blijkt is tijdens de zitting er uitdrukkelijk bij stilgestaan dat appellante voor

20 uren per week werkzaamheden kan verrichten.

Het hoger beroep treft mitsdien geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2007.

(get.) J. Brand.

(get.) N.E. Nijdam.

JL