Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2305

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
04-4716 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AAW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/4716 AAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 juli 2004, 03/213

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.C. van der Weele, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2007. Appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van der Weele. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. B. Drossaert.

Als getuige is ter zitting gehoord [getuige].

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Bij die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv van 13 december 2002 (bestreden besluit), waarbij de weigering appellante een AAW-uitkering toe te kennen is gehandhaafd, ongegrond verklaard.

Appellante heeft daartegen aangevoerd dat zij in 1976 is gestopt met haar werkzaamheden als zelfstandig caféhoudster in verband met arbeidsongeschiktheid. Zij heeft toen een uitkering op grond van de Tijdelijke Rijksgroepsregeling Mindervaliden (TRM) van de gemeente Helmond ontvangen. [getuige], destijds werkzaam bij de gemeente Helmond, kan dat bevestigen.

Het Uwv heeft aangegeven dat de eventuele aanspraak van appellante op een TRM-uitkering niet aantoont dat appellante op dat moment arbeidsongeschikt was in de zin van de AAW aangezien de beoordelingscriteria in de AAW en de TRM niet gelijk zijn.

Tussen partijen is in geschil of appellante op 1 oktober 1976 arbeidsongeschikt in de zin van de AAW is.

De Raad heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om het standpunt van het Uwv dat appellante niet eerder dan op 18 december 1979 als arbeidsongeschikt in de zin van de AAW is aan te merken voor onjuist te houden en overweegt daartoe het volgende.

Appellante heeft aanvankelijk in haar aanvraag vermeld dat de eerste dag van arbeidsongeschiktheid plusminus 1980 is. Zij heeft gegevens van de Kamer van Koophandel inzake haar cafébedrijf en informatie over haar dienstverband met Vlisco overgelegd.

De verzekeringsarts heeft op grond van deze gegevens, twee spreekuurbezoeken, informatie van de huisarts alsmede medische informatie uit het GMD-dossier, geconcludeerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag dient te worden vastgesteld op

18 december 1979.

De Raad constateert dat er geen medische informatie voorhanden is die aanleiding geeft voor een andere conclusie. De in het dossier aanwezige informatie van de huisarts en de longarts van appellante leidt niet tot twijfel aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde datum.

De stelling van appellante dat zij is gekeurd door de GGD en vanaf 1976 in aanmerking is gebracht voor een TRM-uitkering maakt dit niet anders. De verklaring van Pos is daartoe onvoldoende, reeds omdat hij niet beschikt over medische informatie en op dat terrein niet deskundig is. Voorts is hij niet geheel consistent in zijn verklaring dat appellante in aanmerking is gebracht voor een TRM-uitkering.

Ook de stelling van appellante dat zij door een arts van het GAK gekeurd is leidt niet tot een ander oordeel aangezien onduidelijk is wanneer die keuring geweest is, waarop die keuring betrekking had, wat de uitkomst van die keuring was en of er een vervolgtraject (in de zin van een arbeidskundige beoordeling) is geweest.

Appellante was derhalve op 1 oktober 1976 niet arbeidsongeschikt in de zin van de AAW.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

DK