Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-08-2007
Datum publicatie
27-08-2007
Zaaknummer
04-4785 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vervoersvoorziening in het kader van de Wvg in de vorm van een rolstoelauto met een leefkilometervergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 327

Uitspraak

04/4785 WVG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 22 juli 2004, 04/104 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2006. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L.S. de Jong, werkzaam bij de gemeente Aa en Hunze.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij aan het College enkele vragen gesteld. Het College heeft bij brief van 7 februari 2007 geantwoord.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante is als gevolg van een aangeboren aandoening meervoudig gehandicapt. Zij is rolstoelafhankelijk.

Op 18 februari 2002 is namens appellante in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening aangevraagd bestaande uit een pas voor het collectief vervoer met een begeleiderspas en een rolstoelauto met een leefkilometervergoeding. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft J. Huizing, arts bij de GGD Drenthe, op 11 juli 2002 en op 6 augustus 2002 advies uitgebracht aan het College. In dit advies is onder meer geconcludeerd dat appellante in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening in de vorm van collectief rolstoeltaxivervoer, met begeleiding. Vervolgens heeft het College bij besluit van 12 augustus 2002, voor zover hier van belang, aan appellante een vervoerspas voor deelname aan het collectief rolstoeltaxivervoer met begeleiding toegekend.

Bij besluit van 28 november 2002 heeft het College het verzoek om een rolstoelauto met een leefkilometervergoeding afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2003 heeft het College de afwijzing van de rolstoelauto, na bezwaar, gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 september 2003, 03/200, het beroep tegen het besluit van 18 maart 2003, voor zover dat ziet op de afwijzing van de rolstoelauto, gegrond verklaard, dit besluit in zoverre wegens strijd met onder meer artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd, en het College opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellante te nemen.

Bij besluit van 23 december 2003 heeft het College het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een rolstoelauto opnieuw ongegrond verklaard. Het College heeft hiertoe onder meer overwogen dat, ondanks het door appellante overgelegde medisch advies van neuroloog J.B. van der Gaast van 26 september 2003, de ongeschiktheid van het collectief vervoer voor appellante geenszins is komen vast te staan en dat niet is gebleken van een noodzaak voor een rolstoelauto.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 december 2003 ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen gebruik kan maken van het rolstoeltaxivervoer. Er wordt gereden in omgebouwde bedrijfswagens waardoor appellante als gevolg van de lawaaihinder heftige schrikreacties ervaart en zij door haar spasmes gedurende de rit verstijfd in haar rolstoel zit.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van - onder meer - vervoersvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.

Ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, van de Wvg heeft de gemeenteraad van de gemeente Aa en Hunze de Verordening Voorzieningen Gehandicapten (hierna: Verordening) vastgesteld.

Artikel 3.1, aanhef en onderdeel a, van de Verordening bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verstrekken voorziening kan bestaan uit een vervoerspas waarmee gebruik kan worden gemaakt van het collectief systeem van aanvullend vervoer.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onderdeel b, onder 1, van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders een vervoersvoorziening verstrekken, bestaande uit een al dan niet aangepaste voorziening in natura in de vorm van een bruikleenauto.

Artikel 3.2, derde lid, onderdeel a, van de Verordening bepaalt dat een gehandicapte voor een vervoersvoorziening als in artikel 3.1, onder b, vermeld in aanmerking kan worden gebracht, indien aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in het eerste lid onmogelijk maken.

Bij brief van 7 februari 2007 heeft het College de Raad - desgevraagd - meegedeeld dat appellante vanaf 1 augustus 2002 veelvuldig gebruik maakt van de door het College verstrekte vervoerspas voor de rolstoeltaxi. In 2005 heeft appellante de pas 78 keer gebruikt en gelet op het beschikbare cijfermateriaal over de eerste helft van 2006 is het gebruik van de vervoerspas in 2006 ten minste vergelijkbaar met het gebruik in 2005. Zij gebruikt de vervoerspas vooral voor het vervoer van en naar sportactiviteiten. Voorts heeft het College meegedeeld dat bij het collectieve rolstoelvervoer voornamelijk gebruik wordt gemaakt van Mercedespersonenbusjes die van een lift zijn voorzien en waarin twee rolstoelen vastgezet kunnen worden. Deze busjes zijn volledig aangepast aan het vervoer van personen. Het vervoer van appellante naar het dagactiviteitencentrum in Assen wordt uitgevoerd met vergelijkbare rolstoelbussen.

Nu appellante het gestelde in de brief van 7 februari 2007 niet heeft weersproken, is de Raad op grond van het vorenstaande met het College van oordeel dat niet is gebleken dat appellante niet in staat is om, naast de door het College toegekende voorzieningen in de vorm van een elektrische rolstoel en de rolstoeltransporter, voor haar vervoer in de directe woonomgeving binnen de regio van de gemeente Aa en Hunze en voor deelname aan het leven van alledag, gebruik te maken van het binnen die gemeente aanwezige systeem van collectief vervoer. Het advies van neuroloog Van der Gaast leidt de Raad niet tot een ander oordeel, nu appellante voor haar vervoer naar het dagactiviteitencentrum blijkens de brief van 7 februari 2007 wel in staat is om gebruik te maken van collectief vervoer in een vergelijkbare rolstoelbus. Dit betekent dat het College de aanvraag om een bruikleenbus terecht heeft afgewezen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.I. ’t Hooft als voorzitter en H.J. de Mooij en

J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Eikelenboom-Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) M. Eikelenboom-Renden.

EK0208