Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
23-08-2007
Zaaknummer
05-4831 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Weigering vergoeding kosten (medisch) deskundige in bestuurlijke voorprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4831 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 juni 2005, 05/35 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2007.

Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

In de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en (de rechtsvoorganger van) het Uwv als verweerder is aangeduid, heeft de rechtbank de voor de beoordeling van dit geding van belang zijnde feiten met juistheid als volgt weergegeven:

“Bij besluit van 17 december 2001 heeft verweerder eiseres voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 18 januari 2002, aangevuld bij brief van 8 april 2002, bezwaar gemaakt. Met het aanvullend bezwaarschrift van 8 april 2002 heeft de gemachtigde van eiseres een rapportage van 22 januari 2002 van de directrice van het Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans, overgelegd.

Verweerder heeft de bezwaren van eiseres bij beslissing op bezwaar van 12 augustus 2002 op arbeidskundige gronden gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van 29 oktober 2001 vastgesteld op 15 tot 25%.

Bij brief van 9 september 2002 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder verzocht de kosten die in verband met het bezwaar zijn gemaakt, waaronder een nota d.d. 26 augustus 2002 van € 291,63 van het Instituut Psychosofia, te vergoeden.”

Na eerdere besluitvorming van het Uwv op dit verzoek, welke onder andere leidde tot de vaststelling dat het evenvermelde verzoek getoetst had dienen te worden aan het voor de inwerkingtreding op 12 maart 2002 van artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, geldende recht, heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2004 dit verzoek afgewezen. Daarbij gaf het Uwv - onder verwijzing naar evenbedoeld recht - geen analogische toepassing aan artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) omdat het rapport van mevrouw Verhage, waarvoor vergoeding was gevraagd, niet afkomstig was van een medisch deskundige in de zin van dit voorschrift. Het tegen het besluit van 14 juli 2004 door appellante gemaakt bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 9 december 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv andermaal bezien of analogische toepassing kon worden gegeven aan artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb, maar kwam dienaangaande niet tot een andere opvatting.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Ter motivering van dit oordeel volstond de rechtbank met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 april 2005 (LJN: AR4323), waarvan zij de onderbouwing overnam.

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante uitvoerig uiteengezet waarom naar haar mening vergoeding van de kosten van het in geding zijnde rapport rechtens aangewezen is.

De Raad overweegt dat, zoals hij al eerder heeft geoordeeld, onder andere in zijn uitspraak van 30 mei 2006 (LJN: AX8570), inzake de vergoeding van in de bezwaarfase gemaakte kosten ten tijde in dit geding van belang het oude recht nog van toepassing was. Volgens de vaste jurisprudentie die onder het oude recht is ontwikkeld dienen in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene te blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. In een geval als het onderhavige is voor vergoeding van de bedoelde kosten slechts plaats indien de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoont dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in een onrechtmatig besluit heeft genomen.

Gelet op het voorgaande komt de Raad, anders dan de rechtbank, in de onderhavige zaak eerst dan pas tot beantwoording van de vraag of mevrouw Verhage aangemerkt dient te worden als een (medisch) deskundige in de zin van aan artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb, indien hij eerst de voorliggende vraag of het Uwv het besluit van 17 december 2001 tegen beter weten in heeft genomen, bevestigend heeft beantwoord.

In dit verband overweegt de Raad dat in het besluit van 12 augustus 2002, genomen op het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van 17 december 2001, is aangegeven dat volgens de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid juist was vastgesteld. Voorts bleek, aldus het besluit van 12 augustus 2002, volgens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 mei 2002 dat de eerder geduide functies voor appellante niet geschikt zijn, dat er diverse andere voor appellante geschikte functies zijn en dat alsdan de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 oktober 2001 15 tot 25% is. De Raad acht tevens van belang dat uit het rapport van de door de gemachtigde van appellante in de bezwaarfase ingeschakelde arbeidsdeskundige G.J. van Assen van 22 juli 2002, waarvan de kosten overigens door het Uwv bij besluit van 10 oktober 2002 wel voor vergoeding in aanmerking zijn gebracht, naar voren komt dat - samengevat weergegeven - de arbeidsdeskundige van het Uwv bij de functieduiding is uitgegaan van een beperking ten aanzien van lawaai en dat bij de functieduiding geen nieuwe beperkingen, maar een door Van Assen vermelde verbijzondering/verduidelijking van de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen, zoals hem gemeld door het doveninstituut te Sint Michelsgestel, in ogenschouw zou moeten worden genomen.

Gelet op al deze gegevens komt de Raad tot de slotsom dat niet kan worden gezegd dat het primaire besluit van 17 december 2001 dermate ernstige gebreken vertoonde dat daarbij tegen beter weten in een onrechtmatig besluit is genomen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

TM