Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2103

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
23-08-2007
Zaaknummer
07-1364 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Overschrijding bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/1364 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2007, 06/2252 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft haar dochter, G. Parmessar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, H. Parmessar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij besluit van 26 april 2006, voor zover hier van belang, heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 21 juni 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Appellante heeft bij op 4 juni 2006 gedagtekende brief, door het Uwv ontvangen op 9 juni 2006, tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft bij het thans bestreden besluit van 3 juli 2006 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellante gesteld dat appellante het bezwaarschrift niet zelf heeft geschreven maar een van haar gezinsleden. Dat die brief te laat is aangekomen, is volgens appellante dan ook niet haar fout.

De Raad oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 6:8 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het besluit is op 26 april 2006 aan appellante toegezonden waarmee de bezwaartermijn op 27 april 2006 is gaan lopen en derhalve op 7 juni 2006 is geëindigd. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het bezwaarschrift is blijkens de poststempel op de enveloppe op 8 juni 2006 ter post bezorgd, derhalve buiten de gestelde bezwaartermijn van zes weken. Het bewaarschrift is, als hiervoor aangegeven, op 9 juni 2006 door het Uwv ontvangen.

Ten aanzien van een na afloop van de gestelde termijn ingediend bezwaarschrift blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

In hetgeen appellante in haar hoger beroepschrift en ter zitting van de Raad heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een dergelijk oordeel te komen. Dat één van de gezinsleden van appellante het bezwaarschrift te laat ter post heeft bezorgd dient voor rekening en risico van appellante te komen. Appellante blijft verantwoordelijk voor haar eigen correspondentie. Het feit dat die correspondentie is verzorgd door één van haar gezinsleden maakt dit niet anders.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.R. van der Vos.

TM