Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
21-08-2007
Zaaknummer
06-2865 WAO + 07-2545 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Bij nader besluit toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2865 WAO en 07/2545 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 april 2006, 05/1837 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 1 mei 2007, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 3 mei 2007 heeft de Raad partijen medegedeeld dat bij de behandeling van het geding geregistreerd onder nummer 06/2865 WAO, tevens een oordeel wordt gegeven over het besluit van 1 mei 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.F. Bergman.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van het Uwv van 4 mei 2005, waarbij is gehandhaafd het besluit van 15 november 2004 appellant per 8 november 2004 een WAO-uitkering te weigeren, gegrond is.

De rechtbank heeft het besluit van 4 mei 2005 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen, een en ander met nadere beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten.

De rechtbank is, kort samengevat, van oordeel dat het Uwv de voor appellant geldende beperkingen van medische aard voor het verrichten van arbeid niet heeft onderschat, maar dat aan de zogenoemde arbeidskundige component van het besluit van 4 mei 2005 gebreken kleven.

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de voor hem geldende medische beperkingen niet heeft onderschat. Naar de mening van appellant is van de zijde van het Uwv geen onderzoek naar de psychische gesteldheid van appellant gedaan en is onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische belastbaarheid. Voorts is naar zijn mening onvoldoende rekening gehouden met de ernst en met de omvang van de aandoening aan zijn knie, zoals deze blijken uit de bevindingen van de behandelende sector.

Appellant acht het aangewezen dat de Raad een onderzoek door een medisch deskundige gelast.

Bij besluit van 1 mei 2007 heeft het Uwv uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant plaatsgevonden en is appellant per 8 november 2004 een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Voor het overige heeft het Uwv geen aanleiding gezien tot een andere opvatting te komen dan reeds was neergelegd in zijn beslissing van 4 mei 2005.

De door appellant tegen de aangevallen uitspraak ingebrachte gronden kunnen en zullen aan de orde komen bij de beoordeling van het besluit van 1 mei 2007. Nu appellant geen schadevergoeding heeft gevorderd en gesteld noch gebleken is dat appellant anderszins nog belang heeft bij een beoordeling door de Raad van de aangevallen uitspraak, zal de Raad het hoger beroep tegen die uitspraak niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van

1 mei 2007 overweegt de Raad als volgt.

Appellant bestrijdt slechts op voormelde gronden de medische grondslag van het besluit appellant per 8 november 2004 een WAO-uitkering toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de arbeidskundige aspecten van het besluit van 1 mei 2007. Bij brief van 4 juli 2007 heeft de gemachtigde van appellant medegedeeld dat geen sprake is van nieuwe gezichtspunten.

Gelet hierop is de rechterlijke toetsing beperkt tot de medische grondslag waarop dit besluit rust, waartoe ook wordt gerekend de met die grondslag nauw verweven vraag of de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn.

De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat van de zijde van het Uwv geen onderzoek is gedaan naar zijn psychische gesteldheid. De Raad wijst op het rapport van de verzekeringsarts van 14 oktober 2004, waarin onder het kopje ”Onderzoek Psyche” onder meer is vermeld dat tijdens het spreekuurcontact er geen aanwijzingen zijn voor aandachts- of concentratiestoornissen, de stemming geïrriteerd is, maar niet evident depressief en dat de gevoelsuitingen van appellant al naar gelang hij vertelt adequaat moduleren. In het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 7 april 2005 is vermeld dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van psychische problematiek. De bezwaarverzekeringsarts heeft er in dit verband op gewezen dat noch de huisarts, noch de Arbodienst melding van deze problematiek maakt.

Voorts is aan de psychische problematiek - naar aanleiding van door appellant overgelegde brieven van zijn huisarts en de hem behandelende psychiater - nog aandacht besteed in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 november 2005.

De Raad is ook niet gebleken dat het Uwv de psychische problematiek van appellant per 8 november 2004 heeft miskend. De appellant behandelende psychiater heeft slechts bij de op 30 september 2005 gedateerde brief gemeld dat appellant op dat moment onder behandeling was. Uit de brief van de huisarts van 20 juni 2005 blijkt dat appellant eerst per die datum naar de psychiater is verwezen.

Aan de brief van de huisarts van 13 oktober 2005 gericht aan de gemachtigde van appellant, waarin de huisarts stelt dat appellant sinds begin 2004 toenemend depressief is in verband met de WAO-procedure, komt naar het oordeel van de Raad geen doorslaggevende betekenis toe. Nog daargelaten dat deze brief in algemene bewoordingen is gesteld en geen inzicht geeft in de medische situatie van appellant op de datum in geding, kan er niet aan worden voorbij gezien dat uit eerdere door appellant van de zijde van de huisarts ingebrachte informatie niet blijkt van een ten tijde in geding bestaande psychische problematiek.

Het is de Raad voorts gebleken dat het Uwv appellant in verband met zijn problemen aan de knie - er is sprake van slijtage aan de buitenkant van het kniegewricht bij een standafwijking van het onderbeen en een beenlengteverschil ten nadele van links - beperkt belastbaar heeft geacht. Zo mogen geen grove trillingen op romp en benen plaatsvinden, mag hij niet frequent buigen uit staande houdingen, is hij beperkt in het frequent zware lasten hanteren, is hij licht beperkt voor lopen, traplopen, klimmen, klauteren, knielen en hurken, voor staan, geknield en gehurkt actief zijn en gebogen en getordeerd actief zijn.

Uit de door appellant overgelegde informatie van de behandelende artsen blijkt geenszins dat de (bezwaar)verzekeringsarts een onjuist of onvolledig beeld van de bij appellant bestaande afwijkingen in de knie had en evenmin dat de beperkingen die in verband met deze afwijkingen zijn gesteld onvoldoende zijn.

De Raad volgt mitsdien niet het door appellant ingenomen standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat. Voor het instellen van een onderzoek door een medisch deskundige ziet de Raad geen aanleiding.

Met de vastgestelde beperkingen kan appellant de hem voorgehouden functies vervullen.

Het beroep dat wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 1 mei 2007 dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep dat wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 1 mei 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M. Gunter.

DK