Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB2051

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2007
Datum publicatie
21-08-2007
Zaaknummer
05-3574 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. In verschillende procedurestadia onvolkomenheden geconstateerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3574 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 april 2005, 04/946

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2007. Appellant, die op 12 april 2007 bleek te zijn opgenomen in de basisadministratie personen van de gemeente Haarlem onder vermelding dat hij is vertrokken naar Servië en die daarom in de Nederlandse Staatscourant van 4 mei 2007 is opgeroepen ter zitting te verschijnen, is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 4 december 2003 heeft het Uwv aan appellant per 2 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Bij besluit van 22 december 2003 heeft het Uwv dat toekenningsbesluit ingetrokken onder overweging dat dat besluit op een onjuiste grondslag berust.

Bij besluit van eveneens 22 december 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen onder overweging primair dat appellant vanaf 3 februari 2003 (per welke datum appellant zich heeft ziek gemeld vanuit de Werkloosheidswet (WW)) niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en subsidiair (indien de wachttijd toch wordt vol gemaakt) dat appellant per einde wachttijd - 1 februari 2004 - volledig arbeidsgeschikt is voor zijn eigen werkzaamheden.

Tegen dat weigeringsbesluit heeft appellant bij brief van 28 december 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 april 2004 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit op bezwaar heeft appellant beroep ingesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - onder overweging dat appellant bij brief van 28 december 2003 tevens bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit van 22 december 2003 en dat het Uwv bij het besluit op bezwaar van 7 april 2004 tevens dàt bezwaar ongegrond heeft verklaard - ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen zowel het intrekkingsbesluit van 22 december 2003 als het weigeringsbesluit van

22 december 2003.

De Raad meent het betoog van appellant (die zonder advocaat procedeert) in hoger beroep aldus te kunnen en moeten begrijpen dat appellant op het standpunt staat dat hij volgens een aantal verzekeringsartsen van het Uwv op de datum in geding wèl 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

De Raad overweegt als volgt.

Appellant heeft zich op en per 3 februari 2003 vanuit de WW ziek gemeld. Per 19 mei 2003 is appellant hersteld gemeld. Bij besluit van 15 mei 2003 heeft het Uwv aan appellant per 19 mei 2003 ziekengeld geweigerd onder overweging dat appellant per die datum niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en daarom per 19 mei 2003 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Het tegen dat besluit door appellant op 14 juni 2003 ingediende bezwaarschrift is bij besluit op bezwaar van 22 juli 2003 wegens onverschoonbare termijnoverschrijding kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dat besluit op bezwaar heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, met als gevolg dat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Het bezwaarschrift van appellant is door het Uwv tevens aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 15 mei 2003. Bij besluit van 3 januari 2005 heeft het Uwv geweigerd van het besluit van 15 mei 2003 terug te komen en voorzover de Raad uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bekend is kunnen worden, heeft appellant tegen dat weigeringsbesluit geen rechtsmiddel aangewend.

Blijkens een brief van het Uwv van 14 november 2003 heeft het Uwv aangenomen dat appellant een aanvraag tot toekenning van een WAO-uitkering had ingediend. Op basis van die aanname is appellant op 28 november 2003 onderzocht door de verzekeringsarts G. Levy van Vinninghe, die in diens rapport van 28 november 2003 is gekomen tot de conclusie dat er geen sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden.

Vervolgens is het Uwv bij besluit van 4 december 2003 overgegaan tot toekenning aan appellant van een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Kort daarop is bij het Uwv duidelijk geworden dat dat toekenningsbesluit niet kan kloppen. De evengenoemde verzekeringsarts heeft zich verstaan met de arts die de hersteld melding per 19 mei 2003 heeft gedaan en heeft zich vervolgens geschaard achter de conclusie van die arts.

Bij besluit van 22 december 2003 heeft het Uwv vervolgens het toekenningsbesluit van

4 december 2003 ingetrokken.

Bij een tweede besluit van 22 december 2003 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een WAO-uitkering toe te kennen. In dat tweede besluit heeft het Uwv vermeld dat appellant een aanvraag om een WAO-uitkering had ingediend; die vermelding was evenwel feitelijk onjuist. Binnen de bezwaartermijn heeft appellant meerdere brieven aan het Uwv geschreven, maar in geen daarvan heeft hij zich gekeerd tegen het intrekkingsbesluit.

In het verdere verloop van de bezwaarschriftprocedure (met inbegrip van de hoorzitting op 17 februari 2004) is niet aan de orde geweest dat met het door appellant ingediende bezwaarschrift is bedoeld tevens bezwaar te maken tegen het intrekkingsbesluit.

In zijn aanvullend beroepschrift van 9 juli 2004 heeft (de toenmalige advocaat van) appellant niet aangegeven dat het besluit op bezwaar van 7 april 2003 tevens betrekking heeft op het intrekkingsbesluit.

De Raad begrijpt de aangevallen uitspraak aldus dat de rechtbank ongegrond heeft verklaard het beroep gericht tegen zowel het intrekkingsbesluit als de weigering van 22 december 2003 om uitkering toe te kennen.

De Raad stelt voorop dat het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 7 april 2004. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv zich in dat besluit terecht heeft beperkt tot een beslissing op het bezwaar tegen het weigeringsbesluit van 22 december 2003; met het Uwv is de Raad van oordeel dat het bezwaar - gegeven de hiervoor geschetste omstandigheden - niet was gericht tegen het intrekkingsbesluit van 22 december 2003. De rechtbank is zodoende met haar uitspraak getreden buiten de grenzen van het, mede door het besluit van 7 april 2004 afgeperkte geschil. De aangevallen uitspraak dient dan ook om die reden te worden vernietigd.

Gegeven dat het besluit van 15 mei 2003 (hersteldverklaring per 19 mei 2003) in rechte onaantastbaar is geworden en in aanmerking genomen de hiervoor in de verschillende procedurestadia geconstateerde onvolkomenheden, komt het de Raad geraden voor de aangevallen uitspraak te vernietigen, het beroep gegrond te verklaren en het besluit op bezwaar van 7 april 2004 evenzeer te vernietigen om het Uwv in staat te stellen een nieuw besluit op bezwaar te nemen die recht doet aan hetgeen in deze uitspraak - met name in verband met het ontbreken van een aanvraag - is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag van € 644,-- voor in beroep verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding op grond van evengenoemd artikel in aanmerking komende kosten is de Raad niet kunnen blijken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 7 april 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,--, aan appellant te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

DK