Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2007
Datum publicatie
21-08-2007
Zaaknummer
05-6171 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van de vastgestelde ingangsdatum van de WAO-uitkering. Nieuwe feiten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6171 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 oktober 2005, 05/448 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 9 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2007 waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Th.A. Velo, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant was directeur Bedrijfsvoering bij de politieregio [politieregio]. Per 1 mei 1996 is hem op zijn verzoek eervol ontslag verleend uit deze functie. Per gelijke datum is hij aangesteld in de functie van beleidsmedewerker B bij de dienst Zware Criminaliteit.

1.3. Bij besluit van 10 mei 2001 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 26 mei 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van 15 oktober 2001.

1.4. Appellant is per 1 januari 2002 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

1.5. De korpsbeheerder van de politieregio [politieregio] heeft als voormalig werkgever van appellant de Stichting Pensioenfonds ABP verzocht om appellant (alsnog) per 1 mei 1996 een herplaatsingstoelage toe te kennen, omdat appellant per die datum niet langer werkzaam was als directeur Bedrijfsvoering maar als beleidsmedewerker B. Deze aanvraag is afgewezen omdat op zo’n toelage pas recht bestaat als tegelijkertijd aanspraak kan worden gemaakt op een WAO-(conforme-)uitkering, zonder dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Aangezien appellant volledig arbeidsgeschikt was verklaard, heeft de Directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP het door appellant tegen de afwijzing gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het bezwaarschrift is vervolgens doorgeleid naar het Uwv teneinde te bezien of per 1 mei 1996 reeds recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering bestond.

1.6. Het Uwv heeft dit bezwaarschrift opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 10 mei 2001, waarbij met ingang van 26 mei 2000 een WAO-uitkering is toegekend. Bij besluit van 28 juli 2004 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven de WAO-uitkering eerder dan per 26 mei 2000 toe te kennen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 januari 2005 (hierna: bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er weliswaar sprake is van nieuw gebleken feiten maar dat deze voor het Uwv geen aanleiding hoefden te vormen om het besluit van 10 mei 2001 en de daarbij vastgestelde eerste arbeidsonge-schiktheidsdag te herzien.

3. De Raad oordeelt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, als volgt.

3.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad is van oordeel dat het Uwv het doorgeleide bezwaarschrift met juistheid heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van de bij het besluit van 10 mei 2001 vastgestelde ingangsdatum van de WAO-uitkering.

3.2. Bij het bestreden besluit is gehandhaafd de weigering om terug te komen van een op aanvraag genomen besluit. Zoals is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

3.3. Bij zijn verzoek heeft appellant stukken ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij reeds in 1995 arbeidsongeschikt was. Het betreft onder meer stukken van appellant, de bedrijfsarts en (de afdeling Personeel en Organisatie van) de politieregio [politieregio], uit met name de jaren 1994, 1995 en 1996, waarin informatie is opgenomen over de medische situatie van appellant vanaf 1988. Tot de bedoelde stukken behoort tevens een rapportage uit het jaar 1995 waarin de resultaten van een psychologisch onderzoek zijn neergelegd. Daarnaast heeft appellant gegevens overgelegd over zijn ziekteverzuim in onder meer de hiervoor genoemde jaren. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze gegevens geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden betreffen in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Appellant had al deze gegevens ook reeds aan het Uwv kunnen verstrekken voorafgaande aan het besluit van 10 mei 2001 of daarna, tijdens de tegen dit besluit gevoerde bezwaar-procedure. De gegevens waren ten tijde van het nemen van het besluit waarvan herziening wordt verzocht immers bekend bij appellant. Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3.4. Voorts dienen naar vaste jurisprudentie van de Raad, uit de aard der zaak bij de beoordeling van het bestreden besluit niet worden betrokken de door appellant eerst in hoger beroep ingebrachte stukken die niet bij het Uwv bekend waren bij het nemen van het bestreden besluit (zie de uitspraak van de Raad van 30 maart 2004, LJN AO8674). De in hoger beroep door appellant ingebrachte gegevens zullen door de Raad dan ook buiten beschouwing worden gelaten.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD