Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2007
Datum publicatie
21-08-2007
Zaaknummer
06/1592 AW + 06/1981 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering aanvulling FPU-pensioen, vergoeding pensioenschade en vergoeding kosten juridische bijstand. Dubbel hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 124
TAR 2008/35

Uitspraak

06/1592 AW en 06/1981 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam (hierna: college), en

[betrokkene],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2006, 04/3156 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het college

Datum uitspraak: 9 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Ieder van partijen heeft hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2007. Betrokkene is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Blanken, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was gemeentesecretaris. Op 26 november 1999 heeft hij met de gemeente een overeenkomst gesloten ter regeling van de gevolgen van een hem onder verwijzing naar de gemaakte afspraken inzake volledige compensatie van inkomensschade op zijn verzoek door de gemeenteraad te verlenen ontslag wegens gebruikmaking van de zogeheten FPU-regeling (hierna: Overeenkomst). Bij besluit van 30 november 1999 heeft het college zich met de Overeenkomst akkoord verklaard, waarna de gemeenteraad het gevraagde ontslag heeft verleend.

1.2. Ter uitvoering van de op de Overeenkomst gebaseerde uitkeringsregeling, waarmee het college was belast, heeft het college op of omstreeks 28 juli 2000 en 24 november 2001 betalingen verricht, ter aanvulling van de FPU-uitkering tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd respectievelijk ter vergoeding van de pensioenschade. Tevens heeft betrokkene aan de gemeente declaraties wegens juridische bijstand overgelegd, met het verzoek deze op grond van de Overeenkomst te vergoeden. Deze declaraties zijn echter door de raadsman van het college bij brieven van 17 mei 2001 en 20 november 2001 aan de (toenmalige) raadsman van betrokkene teruggezonden.

1.3. Bij brief van 21 februari 2002 heeft betrokkene de resterende punten van geschil met betrekking tot de afwikkeling van de Overeenkomst uiteengezet en het college verzocht de reeds gedane betalingen aan te vullen. Deze brief is door het college opgevat als een verzoek om - ter uitvoering van de Overeenkomst - een besluit te nemen omtrent de aanvulling op de FPU-uitkering, de vergoeding van de pensioenschade en de vergoeding van de kosten van juridische bijstand. Bij besluit van 29 augustus 2002, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 17 augustus 2004, heeft het college het verzoek afgewezen, in die zin dat geen aanvullende betalingen zullen worden verricht.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wat betreft de kostenopslag van 10% over de inkomens- en pensioenschade en de berekening van de pensioenschade, met opdracht aan het college om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het beroep is ongegrond verklaard wat betreft de vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat aan betrokkene het griffierecht wordt vergoed.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3. Het hoger beroep van het college

3.1. In geschil is hier nog uitsluitend de toepassing van een opslag van 10% voor beheerkosten bij de berekening van de overeengekomen aanvulling op de FPU-uitkering, alsmede de wijze waarop de pensioenschade moet worden berekend en vergoed. Wat dit laatste betreft wordt overigens, anders dan de rechtbank veronderstelde, de toepassing van een kostenopslag van 10% wèl door beide partijen aanvaard.

3.2. Het college heeft aangevoerd dat het inleidend verzoek van 21 februari 2002 ertoe strekte dat wordt teruggekomen van in rechte vaststaande besluiten, te weten het besluit van 30 november 1999 tot bekrachtiging van de Overeenkomst en de besluiten die ten grondslag hebben gelegen aan de betalingen van 28 juli 2000 en 24 november 2001. De rechtbank heeft nagelaten de daarvoor geldende - tot nova beperkte - toetsingsmaatstaf aan te leggen.

3.3. De Raad kan het college in dit betoog niet volgen. Betrokkene heeft niet de totstandkoming of de inhoud van de Overeenkomst als zodanig ter discussie gesteld, maar de wijze waarop het college aan de bij het ontslag getroffen uitkeringsregeling uitvoering heeft gegeven. Voorts zagen de verrichte betalingen blijkens de gedingstukken uitsluitend op de bedragen tot het beloop waarvan tussen partijen geen verschil van mening bestond. Voor het overige waren de onderhandelingen tussen de raadslieden van partijen over de afwikkeling van de uitkeringsregeling nog steeds gaande. Van een verzoek aan het college om die afwikkeling eenzijdig bij besluit vast te stellen was toen nog geen sprake. Onder deze omstandigheden konden de betalingen redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan als voorschotten op de uiteindelijke afwikkeling. Met name konden zij niet gelden als blijk van definitieve besluitvorming omtrent de uitvoering van de uitkeringsregeling. Dat het college zich in de onderhandelingen op het standpunt stelde dat geen verdere bedragen waren verschuldigd, maakt dit niet anders. De Raad ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank hier een verkeerde toetsingsmaatstaf heeft aangelegd.

3.4. De door de rechtbank gevolgde redenering komt erop neer dat in de aan de uitkeringsregeling ten grondslag liggende Overeenkomst is neergelegd dat de te vergoeden schade zal worden berekend door een externe deskundige, zonder daarbij onderscheid te maken tussen de aanvulling van de FPU-uitkering tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd en de pensioenschade. Partijen hebben nader afgesproken dat de berekening zal worden uitgevoerd door VM, adviseur voor pensioenvraagstukken en financiële planning. Daartoe heeft VM op 8 februari 2000 een aantal uitgangspunten geformuleerd, waaronder het toepassen van een kostenopslag van 10%. Met deze uitgangspunten heeft de raadsman van het college ingestemd. Het stond het college dan ook niet meer vrij om van de daarop gebaseerde berekeningen van VM af te wijken, aldus - kort samengevat - de aangevallen uitspraak.

3.5. De Raad stelt voorop dat de Overeenkomst in hoofdzaak bestaat uit de overeen-gekomen voorwaarden voor het te verlenen ontslag, aangevuld met "afspraken" die gelden "bij de berekening en de vergoeding van het gederfd inkomen als bedoeld in de punten 1 t/m 3 van de overeengekomen ontslagvoorwaarden". In deze afspraken wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de aanvulling van de FPU uitkering tot de 65 jarige leeftijd, welke blijkens artikel 3 zal worden uitbetaald in een bedrag ineens dat de uitkomst is van de berekening van de contante waarde, en anderzijds de pensioenschade, die ingevolge artikel 6 zal worden vergoed door storting van een koopsom op basis van een offerte van een pensioenverzekeraar.

3.6. Wat betreft de aanvulling van de FPU-uitkering is allereerst van belang dat deze volgens de Overeenkomst (uitsluitend) bestaat uit een bedrag ineens ter hoogte van de contante waarde. Een eventuele kostenopslag maakt geen deel uit van deze waarde zelf en van een dergelijke opslag is in de Overeenkomst ook in het geheel geen sprake. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat ook niet nadien vanwege het college is ingestemd met hantering van een kostenopslag. Weliswaar heeft de raadsman van het college bij brief van 17 februari 2000 ingestemd met de uitgangspunten die VM in een faxbericht van 8 februari 2000 voor zijn berekeningen had genoemd, maar het college heeft er terecht op gewezen dat deze brief dient te worden gelezen in samenhang met de brief van die raadsman van 9 februari 2000, inhoudende dat geen bezwaren bestaan tegen berekening door VM van de contante waarde. Van een kostenopslag is (ook) in die brief geen melding gemaakt. Gelet hierop kan er niet van worden uitgegaan dat met de brieven van 9 en 17 februari 2000 is ingestemd met het in afwijking van de Overeenkomst vergoeden van een kostenopslag op de aanvulling van de FPU-uitkering. Daar komt bij dat de in het faxbericht van 8 februari 2000 genoemde uitgangspunten zagen op zowel de berekening van de aanvulling van de FPU-uitkering als op de berekening van de pensioenschade zodat niet (zonder meer) kenbaar was of de kostenopslag ook bij eerstgenoemde berekening van toepassing werd geacht. Pas uit de berekeningen van VM van 8 maart 2000 werd voor het college redelijkerwijs duidelijk dat de kostenopslag van 10% ook op de aanvulling van de FPU betrekking had. De gemachtigde van het college heeft bij brief van 28 maart 2000 laten weten met die berekeningen niet akkoord te gaan en dit standpunt nadien gehandhaafd en uitvoerig beargumenteerd. Voor de door betrokkene naar voren gebrachte stelling dat die gemachtigde in een telefoongesprek op 3 juni 2000 de opslag alsnog zou hebben aanvaard, heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden. Gelet op het vorenstaande kan de rechtbank niet worden gevolgd in haar oordeel dat het college zich door het accorderen van de uitgangspunten van VM aan de kostenopslag van 10% op de aanvulling van de FPU-uitkering had gebonden.

Het hoger beroep treft in zoverre doel. Betaling van de kostenopslag over de aanvulling van de FPU-uitkering is terecht geweigerd.

3.7. Ten aanzien van de pensioenschade overweegt de Raad dat deze bestaat uit het verschil tussen de pensioenaanspraken die betrokkene zou hebben genoten indien hij tot zijn 65e jaar als gemeentesecretaris was blijven werken en de pensioenaanspraken die bij het bereiken van die leeftijd daadwerkelijk zullen bestaan nu hij voortijdig is ontslagen. Uit artikel 6 van de bij de Overeenkomst behorende afspraken vloeit voort dat dit pensioentekort moet worden vergoed door betaling van een bedrag gelijk aan de koopsom die een pensioenverzekeraar, blijkens een uit te brengen offerte, voor het afdekken daarvan bedingt. Dit wordt niet anders doordat in punt 2 van de ontslagvoorwaarden is bepaald dat onder gederfd inkomen - dat ingevolge punt 1 aan betrokkene wordt vergoed en ingevolge punt 3 door externe deskundigen wordt berekend - ook toekomstig inkomen in de vorm van pensioen wordt verstaan. Met het college moet worden geoordeeld dat, voor zover op dit punt een tegenstrijdigheid bestaat tussen de ontslagvoorwaarden en de afspraken, aan de afspraken voorrang toekomt omdat deze in dit opzicht zijn aan te merken als de meer specifieke regeling.

3.8. Gegeven deze strekking van de Overeenkomst, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen plaats was voor bindende vaststelling van het te betalen bedrag door VM. De onder 3.6. omschreven gang van zaken bij de onderhandelingen over de afwikkeling biedt onvoldoende grondslag om te oordelen dat het college op dit punt met een afwijking van de Overeenkomst akkoord is gegaan. Daarbij is van belang dat de instemming met berekening door VM in de brief van 9 februari 2000 uitdrukkelijk zag op de contante waarde. Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat daarmee redelijkerwijs moet zijn gedoeld op de aanvulling van de FPU met een bedrag ineens en niet mede op de vergoeding van de pensioenschade door het storten van een commercieel bepaalde koopsom. Ook in zoverre treft het hoger beroep doel.

3.9. Teneinde te voldoen aan de verplichtingen uit de uitkeringsregeling, zoals neergelegd in de Overeenkomst, heeft het college een aantal offertes doen uitbrengen door pensioenverzekeraars en tevens bij het adviesbureau DT advies ingewonnen omtrent de verschillen daartussen. Daarbij stuitte men op het probleem dat althans van de Stichting Pensioenfonds ABP een exact bij de concrete pensioenschade aansluitende offerte niet kon worden verkregen. Om die reden heeft DT ook een eigen berekening gemaakt, die uitkwam op een (fictieve) koopsom van f 280.575,- te verminderen met f 50.565,- wegens te besparen eigen bijdrage in de pensioenpremies. De offertes en adviezen zijn voor-gelegd aan de raadsman van betrokkene. Bij brief van 4 april 2001 is namens het college nog eens de bereidheid uitgesproken om op basis van al deze gegevens tot een compromis te komen en is aangedrongen op overleg. Betrokkene is evenwel een civiele procedure in kort geding begonnen, onder meer strekkende tot betaling van een bedrag ter grootte van de door VM berekende pensioenschade. De kortgedingrechter heeft bij vonnis van 24 juli 2001 de gevraagde voorzieningen geweigerd. Vervolgens is het college overgegaan tot de meergenoemde betaling van 24 november 2001, omvattende het bedrag van f 280.575,- plus wettelijke rente. Bij het bestreden besluit is de weigering om méér te betalen gehandhaafd. Daartoe heeft het college overwogen dat betrokkene geen inhoudelijke bezwaren heeft geuit tegen de berekening van DT, doch enkel aan de uitgangspunten van VM heeft willen vasthouden. Naar het oordeel van de Raad kan het bestreden besluit op dit punt niet als onzorgvuldig voorbereid of anderszins onjuist worden gekenschetst. Betrokkene heeft een- en andermaal geweigerd inhoudelijk op de door het college aangedragen offertes en adviezen te reageren. Evenmin heeft hij alternatieve offertes overgelegd. In plaats daarvan is hij zich uitsluitend blijven beroepen op de berekeningen van VM die evenwel, zoals onder 3.8. overwogen, niet tot een bindend resultaat kunnen leiden. In beroep en hoger beroep heeft hij in deze houding volhard. De Raad constateert dat het door DT berekende en door het college uitbetaalde bedrag, vermeerderd met de bespaarde premies, ruimschoots uitgaat boven de koopsommen die zijn vermeld in de door Centraal Beheer, Interpolis en AMEV uitgebrachte offertes. Nu niet gemotiveerd is onderbouwd dat met die aanbiedingen het pensioentekort niet volledig is afgedekt, kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat betrokkene met het bestreden besluit niet tekort is gedaan en dat dit besluit in rechte stand houdt.

4. Het hoger beroep van betrokkene

4.1. Dit hoger beroep betreft de kosten van juridische bijstand.

4.2. Ook hier heeft het college aangevoerd dat moet worden gesproken van een weigering terug te komen van in rechte onaantastbaar geworden besluiten, welke door de rechtbank terughoudend - want alleen op nova - hadden moeten worden getoetst. Daarmee doelt het college op de brieven van zijn raadsman van 17 mei 2001 en 20 november 2001, waarbij ter vergoeding aan de gemeente overgelegde declaraties zijn geretourneerd aan de raadsman van betrokkene. De Raad kan evenwel in deze brieven - de brief van 17 mei 2001 is door partijen niet overgelegd, maar blijkens het verhandelde ter zitting zakelijk gelijkluidend aan die van 20 november 2001 - geen bekendmaking ontwaren van enig concreet door of namens het college genomen besluit waarbij vergoeding van de declaraties is geweigerd.

4.3. Ingevolge punt 4 van de bij de Overeenkomst behorende ontslagvoorwaarden worden de kosten van juridische bijstand die betrokkene heeft moeten maken met betrekking tot de ontslagregeling, alsmede de kosten die hij nog zal maken met betrekking tot de uitwerking van de gemaakte afspraken, aan hem vergoed. Blijkens het bestreden besluit, zoals ter zitting nader toegelicht, stelt het college zich op het standpunt dat deze bepaling mede de juridische bijstand bij de berekening en vergoeding van de aanvulling op de FPU en van de pensioenschade omvat. De grens wordt echter getrokken bij het voeren van procedures teneinde het door het college ingenomen standpunt, al dan niet vastgelegd in een besluit, in rechte (bezwaar daaronder begrepen) te bestrijden. Om die reden acht het college zich onder meer niet gehouden tot vergoeding van de kosten ter zake van het civiele kort geding. De Raad acht deze uitleg van de Overeenkomst aanvaardbaar. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de raadsman van het college bij brief van 25 november 1999, voorafgaande aan de totstandkoming van de Overeenkomst, uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de vergoeding van de kosten van juridische bijstand niet zo ver gaat dat bijstand in - onverhoopte - procedures wordt vergoed.

4.4. Dit betekent dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt.

5. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak, voor zover door het college aangevochten, niet in stand kan blijven en dat het beroep van betrokkene in zijn geheel ongegrond had moeten worden verklaard. Om redenen van duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak geheel vernietigen en doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

6. Bij deze uitkomst van de procedure is er geen plaats voor toewijzing van de door betrokkene in hoger beroep verzochte schadevergoeding.

7. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2004 ongegrond;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.J.H. van Baalen.

HD