Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2007
Datum publicatie
21-08-2007
Zaaknummer
05-3517 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3517 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 april 2005, 04/3000 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.F.J. Sijstermans, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand (thans) te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2007. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, voorheen werkzaam als projectmanager gedurende 40 uur per week, is op 1 september 1999 voor dat werk uitgevallen met pijnklachten aan het bewegingsapparaat. Met ingang van juni 2000 heeft appellante bij haar eigen werkgever hervat in de functie van assistent projectmanager gedurende 20 uur per week. In verband hiermee is aan haar per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Per 28 januari 2003 heeft appellante zich opnieuw ziekgemeld, ditmaal met psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft in januari 2004 een beoordeling door de verzekeringsarts R.R.J. Weijers plaatsgevonden. Weijers heeft in zijn rapportage van 6 januari 2004 onder andere vastgesteld dat vanaf mei 2003 sprake was van een gedeeltelijke werkhervatting en met ingang van 1 oktober 2003 van een volledige werkhervatting (dat wil zeggen voor 20 uur per week). Na een arbeidskundige beoordeling heeft voornoemde ziekmelding geleid tot een drietal besluiten van het Uwv van 11 mei 2004:

- herziening van de WAO-uitkering met ingang van 25 februari 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%;

- herziening van de WAO-uitkering met ingang van 1 oktober 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%;

- intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 28 juni 2004 omdat appellante met ingang van die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Appellante heeft aanvankelijk tegen de twee laatstgenoemde besluiten bezwaar aangetekend, doch tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft zij haar bezwaar tegen de herziening van de WAO-uitkering per 1 oktober 2003 ingetrokken.

Bij besluit van 29 oktober 2004 is het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de uitkering met ingang van 28 juni 2004 ongegrond verklaard.

Het tegen het besluit van 29 oktober 2004 (hierna: bestreden besluit) ingestelde beroep is in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij ten onrechte al in 2004 is herkeurd; dit had pas in 2005/2006 moeten gebeuren. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend internist, terwijl voorts haar valiumgebruik – dat van invloed is op haar concentratievermogen – niet is meegenomen bij het vaststellen van de beperkingen. Tenslotte is appellante van mening dat zij geen 8 uur per dag kan werken en dat de geduide functies van meteropnemer, portier en keukenverkoper gelet op de daarin voorkomende functiebelasting voor haar niet geschikt zijn.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat zij te vroeg is herkeurd. Nog daargelaten dat artikel 36 van de WAO erin voorziet dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien wanneer degene, aan wie deze uitkering is toegekend, ingevolge het bij of krachtens de wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking komt, wijst de Raad erop dat de onderhavige herbeoordeling, welke uiteindelijk is uitgemond in het bestreden besluit, een rechtstreeks gevolg is van appellantes ziekmelding per 28 januari 2003. Het Uwv diende, naar aanleiding van deze ziekmelding, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante te herbeoordelen. De omstandigheid dat appellante het werk in mei 2003 weer heeft hervat, doet daar niet aan af, nu (zowel in mei 2003 als in oktober 2003) slechts sprake was van een gedeeltelijke hervatting.

De Raad kan appellante evenmin volgen in haar standpunt dat het onderzoek door de verzekeringsarts onvoldoende zorgvuldig is geweest omdat geen informatie is opgevraagd bij haar behandelend internist en omdat haar valiumgebruik niet zou zijn meegewogen bij het vaststellen van de beperkingen. Bij dit oordeel heeft de Raad in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts een uitgebreid lichamelijk onderzoek heeft verricht, alsmede een onderzoek van de psyche. De verzekeringsarts heeft geen informatie opgevraagd bij de behandelend sector omdat het ziektebeeld “stabiel, evident en niet veranderd” was ten opzichte van de vorige onderzoeken, waardoor het hernieuwd opvragen van medische informatie geen toegevoegde waarde heeft. Voorts is door hem het valiumgebruik van appellante genoteerd; terwijl hij bij het onderzoek van de psyche heeft vastgesteld dat tijdens het spreekuur de aandacht en concentratie van appellante goed waren. De bezwaarverzekeringsarts had de beschikking over (recente) informatie van de huisarts, alsmede over informatie van de behandelend orthopedisch chirurg P.J.M. van Loon en de behandelend oefentherapeut, en concludeerde dat de reeds bekende problematiek in deze brieven wordt bevestigd.

Evenals de rechtbank ziet de Raad in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding te twijfelen aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts voor appellante vastgestelde beperkingen. Ook de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van 7 juli 2005 van de behandelend internist J.J. Mol geeft dergelijke twijfel niet. Mol heeft aangegeven dat appellantes trombosebeen mogelijk een geringe beperking zou kunnen opleveren, maar dat het grootste probleem bij appellante haar beperkte psychische belastbaarheid is. Zowel met het een als met het ander heeft de verzekeringsarts reeds rekening gehouden nu is aangegeven dat zitten, staan en lopen wat afwisselend dient plaats te vinden en er diverse beperkingen zijn aangenomen in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) van de Functionele Mogelijkhedenlijst. Appellantes standpunt dat zij niet meer dan 4 uur per dag mag werken in verband met haar trombosebeen wordt niet ondersteund door objectieve medische gegevens. De huisarts noemt in zijn brief van 31 augustus 2004 weliswaar een werkbelasting van hooguit 4 uur per dag, doch onduidelijk is wat hiervoor de medische objectiveerbare onderbouwing is.

De Raad deelt tenslotte het oordeel van de rechtbank dat de functies meteropnemer, portier en keukenverkoper, uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen zoals vastgesteld door het Uwv, voor appellante geschikt zijn te achten en dat dit leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Het hoger beroep slaagt mitsdien niet.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2007.

(get.) J. Brand.

(get.) N.E. Nijdam.

TM