Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1842

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
16-08-2007
Zaaknummer
06-4316 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Handel in en de reparatie van auto’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4316 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 juni 2006, 05/5438 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. R.E.F. Bergwerf Bok, advocaat te Arnhem, de gronden van het beroep aangevuld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bergwerf Bok. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.C.M. Hermans, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 1995 (behoudens een korte onderbreking in 1999) een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellant werkzaam is in de autohandel, heeft de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Arnhem een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel en de Rijksdienst voor het Wegverkeer; voorts zijn appellant en enkele getuigen gehoord. Het resultaat van dat onderzoek is neergelegd in een proces-verbaal van 22 november 2004 en een rapport van 25 november 2004. Op basis daarvan heeft het College bij besluit van 23 maart 2005 de over de periode van

23 mei 2000 tot 3 september 2004 verleende bijstand herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 68.503,64.

Bij besluit van 21 november 2005 heeft het College het tegen het besluit van 23 maart 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag het standpunt van het College dat appellant gedurende de hiervoor genoemde periode oncontroleerbare inkomsten uit autohandel heeft ontvangen, dat hij daarvan geen mededeling aan het College heeft gedaan en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant heeft, in strijd met artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kort voor de zittingsdatum diverse nadere stukken aan de Raad gezonden. Het College heeft er bezwaar tegen gemaakt dat deze stukken door de Raad bij de beoordeling van de zaak worden betrokken. De Raad heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond gezien om het in het geding brengen van deze stukken (toch) toe te laten. Evenmin heeft de Raad aanleiding gezien voor een aanhouding van de zaak.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag vormen voor het standpunt van het College dat appellant zich tijdens de in geding zijnde periode heeft beziggehouden met activiteiten op het gebied van de handel in en de reparatie van auto’s. Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij belangrijke betekenis toe aan het grote aantal kentekens dat op naam van appellant heeft gestaan. Daaraan doet niet af hetgeen appellant heeft aangevoerd over de uit de overzichten van de Rijksdienst voor het Wegverkeer blijkende status van een groot aantal van deze auto’s (veelal sloop en export), waarbij de Raad mede in aanmerking neemt dat - zoals appellant zelf ook heeft meegedeeld - de status export niet correspondeerde met de feitelijke situatie. Daarnaast komt uit de verklaring van appellant zelf en uit de verklaringen van bij de handel en de reparatie betrokken en/of in deze branche werkzame personen, die door de sociale recherche als getuigen zijn gehoord, naar voren dat appellant tevens actief is geweest op het gebied van reparatie van auto’s dan wel de handel in onderdelen, bij bemiddeling bij aankopen van auto’s, en bij APK-keuringen van auto’s. Mede in aanmerking genomen de uit het dossier blijkende omvang van deze activiteiten en het doorlopende karaker daarvan, kan de Raad appellant niet volgen in zijn stelling dat het hier slechts ging om het verrichten van vriendendiensten voor familie en kennissen. Deze activiteiten moeten worden aangemerkt als op geld waardeerbare werkzaamheden waarmee normaliter inkomsten kunnen worden gegenereerd.

Het moet appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat deze activiteiten van invloed konden zijn op (de omvang van) zijn recht op bijstand. Door daarvan aan het College geen mededeling te doen, heeft appellant het College de mogelijkheid ontnomen dit te onderzoeken. De Raad onderschrijft dan ook evenals de rechtbank het standpunt van het College dat appellant gedurende de in geding zijnde periode de als gevolg van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

De omstandigheid dat de strafrechter appellant heeft vrijgesproken van de hem ten laste gelegde valsheid in geschrifte en schending van zijn wettelijke inlichtingenverplichting, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting niet meer is vast te stellen of, en zo ja, in welke mate appellant gedurende de periode 23 mei 2000 tot 3 september 2004 verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Hiertoe overweegt de Raad dat appellant geen deugdelijke boekhouding of anderszins een administratie van zijn activiteiten en de daaruit ontvangen inkomsten heeft bijgehouden, zodat de omvang van die activiteiten en de hoogte van de inkomsten niet met zekerheid kunnen worden bepaald.

Het voorgaande betekent dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de aan appellant verleende bijstand over de gehele hiervoor genoemde periode in te trekken. Tegen de achtergrond van het voorgaande heeft de rechtbank in dit verband met juistheid overwogen dat er geen reden is om de intrekking te beperken tot de maanden waarin transacties met een of meer auto’s hebben plaatsgevonden. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Als gevolg van de intrekking is aan appellant over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand verleend. Het College was derhalve op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de kosten van bijstand over die periode van appellant terug te vorderen. Het College voert het beleid dat steeds tot terugvordering wordt overgegaan, tenzij sprake is van dringende redenen om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten, indien - zoals in dit geval - sprake is van een intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. De Raad stelt vast dat het terugvorderingsbesluit is genomen in overeenstemming met het beleid. Er is geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van dit beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien.

Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter, en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.C. Palmboom.

JK