Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1836

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2007
Datum publicatie
16-08-2007
Zaaknummer
06-4756 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Niet duurzaam gescheiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4756 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 juli 2006, 05/4860 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nederlof, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2007. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante, sinds 14 juni 1983 gehuwd met [C.] (verder: [C.]), ontving tot 7 juli 2002 met [C.] een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Vanaf 7 juli 2002 ontving zij een uitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder wegens vertrek van [C.] naar Kenia.

Naar aanleiding van informatie dat [C.] weer bij appellante zou wonen heeft de sector Sociale Zaken van de gemeente Tilburg ter zake een onderzoek ingesteld. In dat kader is onder meer administratief onderzoek verricht, is appellante gevraagd om nadere gegevens over te leggen en hebben op 18 april en 12 mei 2005 gesprekken met appellante en [C.] plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 juli 2005. Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft het College bij besluit van 27 juli 2005 de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2005 beëindigd en de over de periode van 1 april 2005 tot en met 30 juni 2005 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.726,73 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 3 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 juli 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten – het beroep tegen het besluit van 3 november 2005 gegrond verklaard, dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Naar het oordeel van de rechtbank was het College bevoegd tot beëindiging en terugvordering – kort gezegd – omdat de echtelijke samenleving van appellante en [C.] ten tijde hier van belang niet verbroken was, appellante niet (meer) als zelfstandig subject van bijstand was aan te merken en dientengevolge geen recht meer had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechts-gevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De beëindiging van de bijstand met ingang van 1 april 2005 dient te worden beschouwd als een intrekking van de bijstand met terugwerkende kracht. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in een dergelijk geval de periode van 1 april 2005 tot en met de datum van het primaire (intrekkings)besluit. Voor het onderhavige geval betekent dit dat beoordeeld dient te worden de periode van 1 april 2005 tot en met 27 juli 2005.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op goede gronden aangenomen dat appellante in de hier van belang zijnde periode niet als ongehuwd kan worden aangemerkt omdat de leefsituatie van appellante en [C.] in die periode geenszins wijst op een duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. De Raad onderschrijft de daartoe door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gehanteerde overwegingen. Daarbij acht de Raad met name van belang dat appellante zelf op de zowel door haar als door [C.] ondertekende inlichtingenformulieren van

25 april 2005 en van 17 mei 2005 heeft aangegeven samen te wonen op haar adres aan de [adres], en dat [C.] tot 25 augustus 2005 op dat adres bij de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven heeft gestaan. Appellante heeft van de hervatting van de echtelijke samenleving aan het College in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geen mededeling gedaan.

Het voorgaande betekent dat terecht is geoordeeld dat appellante geen recht meer had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het College was dan ook ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 april 2005 in te trekken.

Uit de door het College aan de Raad gezonden Beleidsregels terugvordering en verhaal blijkt dat het College in gevallen van niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting steeds tot intrekking van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand overgaat. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Het besluit tot intrekking is in overeenstemming met dat beleid genomen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van art 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

Hiermee is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de hier in geding zijnde periode over te gaan. Met betrekking tot de terugvordering leidt de Raad uit de Beleidsregels af dat het College bij schending van de inlichtingenverplichting steeds tot terugvordering overgaat, tenzij sprake is van dringende redenen. Met dit beleid is het College de redelijke grenzen van beleidsbepaling niet te buiten gegaan. Het besluit tot terugvordering is in overeenstemming met dat beleid genomen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen redenen op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van dit beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.F.M. Verhey als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. Jörg.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

JK