Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1722

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
05/3716 + 05/3775 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft betrokkene recht op een WAZ-uitkering of een WAO-uitkering?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 3
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/294

Uitspraak

05/3716 + 05/3775 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene]

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2005, 03/5404 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 14 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. G.C. Blom, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007.

Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Blom voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Op 20 juni 2001 heeft betrokkene het Uwv verzocht hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. Hij heeft daarbij aangegeven vanaf 4 juni 1997 arbeidsongeschikt te zijn voor zijn werk als directeur van transportbedrijf [naam transportbedrijf], dat per 1 mei 2001 door de rechtbank failliet is verklaard. Bij besluit van 8 januari 2003 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 20 juni 2000 - een jaar voor de datum van aanvraag - een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Hierbij is als eerste arbeidsongeschiktheidsdag aangenomen de datum 4 juni 1997. Voorts is beslist dat de uitkering over de periode van 20 juni 2000 tot 1 mei 2001 niet tot uitbetaling komt in verband met de hoogte van de inkomsten uit arbeid van betrokkene. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. In dit besluit wordt ervan uitgegaan dat de AAW-uitkering van rechtswege is geconverteerd in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

Betrokkene heeft tegen het besluit van 28 oktober 2003, hierna: het bestreden besluit, beroep bij de rechtbank ingesteld. Betrokkene stelt zich primair op het standpunt dat hij recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in plaats van een WAZ-uitkering, omdat tussen hem en de [naam transportbedrijf] een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond en hij daarom werknemer in de zin van de WAO was. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht aan betrokkene. De rechtbank heeft overwogen dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust nu het Uwv niet kan aangeven waarin de verhouding van betrokkene tot [naam transportbedrijf] verschilt van de verhouding van diens echtgenote tot deze vennootschap, terwijl bij de echtgenote wel een dienstbetrekking aanwezig wordt geacht en bij betrokkene niet. De rechtbank merkt voorts op dat zij in haar uitspraak van 26 mei 2003, 02/2360 WAZ in een geding tussen betrokkenes echtgenote en het Uwv terzake van de weigering van het Uwv de echtgenote een uitkering toe te kennen heeft overwogen dat de aandelen van [naam transportbedrijf] in december 1995 aan een buitenlandse investeerder zijn overgedragen, zodat het bedrijf daarna niet (meer) in handen was van betrokkene of de kinderen en dat het Uwv tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld.

Beide partijen kunnen zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen en hebben hiertegen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft aangevoerd dat zijn rechtsvoorganger op 14 maart 1996 een premiebesluit heeft genomen ten aanzien van [naam transportbedrijf], dat is gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 1996. Hierin is neergelegd dat met ingang van 1 maart 1996 geen verzekeringsplicht bestaat ten aanzien van betrokkene en zijn echtgenote, omdat er geen sprake kan zijn van een gezagsverhouding wanneer ouders bij hun kinderen werken. Dit besluit staat onherroepelijk vast en de rechtbank is hieraan ten onrechte voorbijgegaan. Dat er in december 1995 sprake is geweest van een aandelenoverdracht aan een buitenlandse investeerder is volgens het Uwv onvoldoende aangetoond. Aan een overweging van de rechtbank in een uitspraak ten aanzien van betrokkenes echtgenote is het Uwv niet gebonden bij het nemen van een beslissing omtrent de arbeidsverhouding van betrokkene.

Betrokkene heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte blijft vasthouden aan het premiebesluit uit 1996. Hij is van mening dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek dit besluit met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te betrekken in de onderhavige procedure. Voorts stelt betrokkene zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn andere beroepsgronden met betrekking tot de ingangsdatum van de uitkering, de mate van arbeidsongeschiktheid en de anticumulatie van de uitkering met inkomsten uit arbeid.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

Met zijn beroep op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb beoogt betrokkene eigenlijk een herziening van het premiebesluit uit 1996 te verkrijgen. Deze artikelen geven echter geen regeling met betrekking tot de herziening van in het verleden genomen besluiten. Naar letter en geest regelen zij slechts de mogelijkheid en enkele gevolgen van de intrekking of wijziging van een besluit terwijl tegen dat besluit bezwaar of (hoger) beroep aanhangig is. Het besluit waartegen thans hoger beroep aanhangig is, is het bestreden besluit van 28 oktober 2003. Het premiebesluit dateert van ver vóór die datum, zodat het niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. Het ligt daarom niet ter beoordeling in de onderhavige procedure.

Aan het Uwv moet worden toegegeven dat de situatie van betrokkene moet worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden van zijn geval, waarbij de mogelijkheid bestaat dat dit tot een andere uitkomst leidt dan die voor zijn echtgenote. Terecht heeft het Uwv er voorts op gewezen dat het premiebesluit van 30 oktober 1996 onherroepelijk is geworden. In beginsel is het dan ook aan betrokkene om aan te tonen dat de situatie per 1 maart 1996 in het verleden onjuist is beoordeeld dan wel dat deze daarna is gewijzigd en - meer in het bijzonder - dat er op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, 4 juni 1997, sprake was van een gezagsverhouding.

De Raad stelt vast dat betrokkene onder meer in de loop van de bezwarenprocedure een aantal stukken heeft ingezonden waaruit naar diens mening voldoende duidelijk blijkt dat hij ook na 1 maart 1996 in dienstbetrekking met en onder gezag van [naam transportbedrijf] werkzaam was. Hoewel het Uwv deze stukken kennelijk onvoldoende acht om het bestaan van een dienstbetrekking aannemelijk te maken is dit nimmer aan betrokkene medegedeeld, zelfs niet bij het besluit op bezwaar. Evenmin is hem gevraagd de gestelde gewijzigde eigendoms- en gezagsverhouding nader aannemelijk te maken met bij voorbeeld een statutenwijziging, een akte van aandelenoverdracht, een kopie van het aandelenregister, een arbeidsovereenkomst of salarisafspraken. Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van de Raad worden gezegd dat de bewijslast niet langer bij betrokkene ligt. Het is aan het Uwv om aannemelijk te maken dat er op

4 juni 1997 geen sprake was van een dienstbetrekking en gezagsverhouding tussen [naam transportbedrijf] en betrokkene. De omstandigheid dat het Uwv geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 mei 2003 ten aanzien van betrokkenes echtgenote acht de Raad niet zonder betekenis. Immers, ten tijde van die uitspraak had betrokkene reeds bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 8 januari 2003 en was ook bekend dat hij zich beriep op de aandelenoverdracht aan World Wide Investments in december 1995. Overigens heeft de Raad naar aanleiding van het door betrokkenes echtgenote ingestelde hoger beroep die uitspraak bevestigd bij zijn uitspraak van 26 juli 2005, 03/3276 WAZ. De Raad heeft daarbij overwogen dat hij de inschatting van de rechtbank juist acht dat er tussen de echtgenote van betrokkene en [naam transportbedrijf] sprake was van een dienstbetrekking.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv er niet in is geslaagd op voldoende deugdelijke wijze te motiveren dat betrokkene werkzaam was als zelfstandige en niet als werknemer in dienstbetrekking en dat betrokkene recht heeft op een WAZ-uitkering in plaats van op een WAO-uitkering, zodat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank dat deze nieuwe beoordeling ertoe kan leiden dat betrokkenes aanspraken op basis van de WAO zullen moeten worden vastgesteld, zodat het niet aangewezen is de overige beroepsgronden van betrokkene, die gericht zijn tegen een op grond van de WAZ genomen besluit, te beoordelen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van betrokkene noch het hoger beroep van het Uwv slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) O.C. Boute.

DK