Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
07-942 WAO + 07-1438 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Nader besluit. Toename arbeidsongeschiktheid. Besluiten berusten op ontoereikende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/942 WAO + 07/1438 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 januari 2007, 06/566 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. van der Steen, werkzaam bij CNV Publieke Zaak regiokantoor Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een nieuwe beslissing op bezwaar van 5 maart 2007 overgelegd en de daarop betrekking hebbende rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige F.C. Schrijer van 23 januari 2007.

Mr. Van der Steen heeft bij de aanvullende gronden het besluit van het Uwv van 8 maart 2007 overgelegd. Op 5 april 2007 heeft mr. Van der Steen nog een nadere aanvulling gegeven.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft mr. Van der Steen gereageerd bij brief van 1 mei 2007, met bijlage.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 05/4697 WAO, plaatsgevonden op 24 juli 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Steen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 juli 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 17 januari 2006, verder: het bestreden besluit 1, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juli 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 17 januari 2006 gegrond verklaard, het besluit van 17 januari 2006 vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist te achten, dan wel onzorgvuldig voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd.

Het is de rechtbank opgevallen dat een aantal signaleringen die wel worden vermeld in het resultaat functiebeoordeling van 5 juli 2005 is verdwenen in het resultaat functiebeoordeling van 10 januari 2006. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat appellant in staat geacht kan worden de in bezwaar gehandhaafde functies te verrichten. Het had op de weg van het Uwv gelegen om alle signaleringen van een motivering te voorzien.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv bij besluit van 5 maart 2007, verder: het bestreden besluit 2, het bezwaar wederom ongegrond verklaard. De WAO-uitkering van appellant blijft met ingang van 1 juli 2005 onveranderd gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In hoger beroep is namens appellant onder andere aangevoerd dat hij aanzienlijk meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. Gezien de noodzaak tot ondersteunende begeleiding in de sociale redzaamheid, kan appellant niet in staat worden geacht om de geduide functies te verrichten. Het Uwv heeft appellant vanaf 6 februari 2004 toegenomen arbeidsongeschikt beschouwd en zijn WAO-uitkering wordt verhoogd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Appellant maakt bezwaar tegen de ingangsdatum van de verhoging van zijn uitkering, omdat op grond van de Wet Amber de verhoging per 2004 dient plaats te vinden. De rechtbank heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over de toepasselijkheid van de jurisprudentie van de Raad van 22 september 2004, RSV 2004/350 en 4 maart 2003, RSV 2003/129, waaruit volgt dat appellant vanaf 6 februari 2004 niet geschikt kan worden geacht voor de hem geduide functies. Ten slotte heeft appellant gewezen op de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 met betrekking tot de zogeheten 'verstopte' beperkingen en dat dit soort situaties voorkomen dienen te worden.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het oordeel van de rechtbank in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

Aangezien het hiervoor weergegeven besluit van 5 maart 2007, dat het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen, aan het beroep niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van

29 juli 2005.

Naar aanleiding van de ziekmelding per 9 februari 2004 is aan appellant in het kader van de Ziektewet een uitkering toegekend. Uit de gedingstukken kan worden opgemaakt dat het Uwv heeft erkend dat appellant gedurende 104 weken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest en dat het Uwv in aansluiting daarop, met ingang van 6 februari 2006, de WAO-uitkering van appellant heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad acht het in het onderhavige geding ingenomen standpunt dat op 29 juli 2005 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd 35 tot 45% is gebleven in strijd met de hiervoor genoemde verzekeringsgeneeskundige beoordeling waarbij er sprake is van een vervulde wachttijd op basis van een ten opzichte van de klasse van 35 tot 45% toegenomen arbeidsongeschiktheid en waarin de datum 29 juli 2005 is gelegen.

Gelet op het voorgaande is de Raad tot de conclusie gekomen dat de besluiten 1 en 2 op een ontoereikende medische grondslag berusten en op deze grond moet worden vernietigd. De aangevallen uitspraak waarin besluit 1 op geheel andere gronden is vernietigd, kan evenmin in stand blijven, behalve voor zover daarin over de proceskosten en het griffierecht is beslist. Het Uwv zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen ter uitvoering van deze uitspraak van de Raad.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voor de overige kosten verwijst de Raad naar zaak 05/4697 WAO.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve voor zover daarin over de proceskosten en het griffierecht is beslist;

Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt die besluiten;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

CVG