Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
14-08-2007
Zaaknummer
06-4636 WWb 06-4637 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Voor de toepassing van de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie is in beginsel geen plaats indien sprake is van schending van de inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/269
RSV 2007, 296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4636 WWB

06/4637 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant), en [Appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 juli 2006, 05/2108 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helden (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2007. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door

mr. K.E.J. Dohmen, advocaat te Venlo. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.T.H. van Dijck, werkzaam bij de gemeente Helden.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen vanaf 28 januari 1998 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Uit een door de sociale recherche ingesteld onderzoek, in het kader waarvan informatie is ingewonnen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) en diverse getuigen en appellanten zijn gehoord, is gebleken dat appellanten vanaf 1995 een aanzienlijk aantal kentekens gedurende veelal korte tijd op hun naam hadden staan. Rekening houdend met het feit dat het onderzoek enige tijd heeft stil gelegen, heeft het College hierin aanleiding gezien om bij besluit van 26 juli 2005 de bijstand van appellanten over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 in te trekken. Bij besluit van 11 augustus 2005 heeft het College de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 74.107,11 van appellanten teruggevorderd.

Bij besluit van 16 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 26 juli 2005 en 11 augustus 2005 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten, door tegenover het College geen melding te maken van het bezit van meer dan één auto, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Nu zij van hun activiteiten op het gebied van autohandel geen administratie hebben bijgehouden kan de hoogte van de inkomsten en daarmee het recht op (aanvullende) bijstand over de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004, niet worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 november 2005 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Vaststaat dat appellanten van het bezit en de overdracht van meer dan één auto geen mededeling hebben gedaan. Daarmee hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

Op grond van de gegevens van de RDW staat ook vast gedurende welke maanden in de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004 kentekenregistraties van op naam van appellante en appellant staande auto’s zijn beëindigd. Uit die gegevens blijkt voorts dat niet in alle maanden van de in geding zijnde periode kentekenregistraties zijn beëindigd.

Gelet op de RDW-gegevens en de getuigenverklaringen acht de Raad het aannemelijk dat appellanten inkomsten in verband met de overdracht van de auto’s hebben verworven of redelijkerwijs hebben kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RWD zijn beëindigd. Aangezien controleerbare gegevens hierover ontbreken kan, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting, over die maanden het recht op algemene bijstand niet (meer) worden vastgesteld. Nu het recht op algemene bijstand in beginsel per kalendermaand moet worden vastgesteld en er geen concrete aanwijzingen zijn dat appellanten in de overige maanden inkomsten hebben verworven of redelijkerwijs hebben kunnen verwerven, is er naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om aan te nemen dat het recht op bijstand (ook) niet kan worden vastgesteld over maanden waarin weliswaar kentekens op naam van appellante en appellant stonden geregistreerd, maar waarin geen overdracht door appellanten aan een derde heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat het College niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd en op grond van de beschikbare gegevens ook niet aannemelijk is, dat de (rest)waarde van de auto’s die op naam van appellanten geregistreerd hebben gestaan hoger is geweest dan het vrij te laten vermogen voor gehuwden.

Uit het vorenstaande volgt dat aan de voorwaarden voor intrekking met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB slechts is voldaan over de in de in geding zijnde periode gelegen maanden waarin registraties van auto’s op naam van appellant of appellante bij de RWD zijn beëindigd. Hetgeen namens het College ter zake in het verweerschrift en ter zitting is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

In het verlengde hiervan is aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van WWB slechts voldaan over de in de hier van belang zijnde periode gelegen maanden waarin de bijstand kan worden ingetrokken.

Naar aanleiding van de stelling van appellanten dat terugvordering vanaf 1 januari 2000 onredelijk is, omdat het onderzoek van de sociale recherche geruime tijd heeft stilgelegen, overweegt de Raad dat voor de toepassing van de zogeheten zesmaanden - jurisprudentie in beginsel geen plaats is indien sprake is van schending van de inlichtingenverplichting.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het besluit van 16 november 2005 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand kan blijven.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 16 november 2005 vernietigen en bepalen dat het College met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. Het College zal zich bij zijn nadere besluitvorming tevens dienen uit te laten over het in bezwaar ingediende verzoek om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 november 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Helden aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Helden aan appellanten het betaalde griffierecht van in totaal

€ 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) S. van Ommen.