Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1618

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
06-7006 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Privaatrechtelijke dienstbetrekking directeur-aandeelhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/7006 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Geldermalsen (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 november 2006, 06/1610 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 26 juli 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 28 juni 2007, waar partijen -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde in geding.

De activiteiten van appellante bestaan uit het verrichten van inspecties, begeleiding en training op het gebied van brandbeveiliging en brandpreventie. [M. ] (hierna: [M. ]) bezit middels zijn persoonlijke vennootschap [de besloten vennootschap van M. ] 55% van de aandelen van appellante en [K.] (hierna: betrokkene) bezit middels zijn persoonlijke vennootschap [de besloten vennootschap van K.] 45% van de aandelen. Voornoemde vennootschappen vormen het bestuur van appellante. Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft het Uwv voor betrokkene verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangenomen. Bij besluiten van 21 november 2005 heeft het Uwv correctienota’s over 2001 tot en met 2004 opgelegd. Bij besluit van 17 februari 2006 heeft het Uwv de door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven en de beroepen ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat is voldaan aan de elementen loon en persoonlijke dienstverrichting. Tevens is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de overige voorwaarde voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de aanwezigheid van een gezagsverhouding, aangezien betrokkene gelet op de aandelenverhouding en de daaruit voortvloeiende stemverhouding in de algemene vergadering van aandeelhouders, niet bij machte is een besluit tot zijn ontslag tegen te houden.

Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat betrokkene binnen appellante een zodanige positie inneemt dat hij niet tegen zijn wil kan worden ontslagen. Naar de mening van appellante is de stemovereenkomst een schriftelijke vastlegging van hetgeen door de aandeelhouders is beoogd, te weten een gelijkwaardige positie als zelfstandige en gezamenlijk ondernemerschap. Voorts heeft appellante nogmaals gewezen op het bij brief van 23 juli 2006 ingenomen standpunt van de belastingdienst ter zake van de verzekeringsplicht.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen en verwijst naar de overwegingen die de rechtbank gebezigd heeft.

Ten aanzien van de voorwaarde van het bestaan van een gezagsverhouding benadrukt de Raad dat, indien een directeur/aandeelhouder van een vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhouding met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende stem heeft op de benoeming, de schorsing en -in het bijzonder- het ontslag van directeuren, in beginsel moet worden aangenomen dat hij of zij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de vennootschap. Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders, is de Raad te dezen van oordeel dat er onvoldoende materiële aanwijzingen bestaan om een zodanige uitzonderingssituatie aanwezig te achten. Evenmin sluit de wijze van samenwerking binnen de onderneming uit dat in een conflictsituatie waarin de onderscheiden belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn betrokkene tegen zijn wil ontslagen kan worden. Ook de tussen de aandeelhouders opgestelde stemovereenkomst van 28 mei 2001 laat onverlet dat [de besloten vennootschap van M. ] betrokkene op grond van het bepaalde in artikel, 12, tweede lid en artikel 18, derde en vierde lid, van de statuten van appellante, kan ontslaan.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de managementvergoedingen die werden betaald aan de persoonlijke vennootschap van betrokkene gelijk kunnen worden gesteld met betaling van loon, terwijl voorts de positie van betrokkene binnen de onderneming, zoals die ook blijkt uit het Kwaliteitshandboek Beleid en Doelstellingen, het onaannemelijk maakt dat betrokkene niet gehouden was zijn arbeid persoonlijk te verrichten.

Tot slot merkt de Raad op dat het door de belastingdienst ingenomen standpunt, voorzover dat al ziet op de periode in geding, berust op de onjuist gebleken veronderstelling dat in de statuten van appellante is opgenomen de bepaling dat voor het ontslag van een directeur/aandeelhouder een versterkte meerderheid is vereist.

Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

BKH 270707