Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
07-3427 WAO-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/3427 WAO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[A. te B.] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2007, 06/2362 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 1 augustus 2007

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens verzoeker heeft mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam, bij faxbericht van 12 juni 2007 om een voorlopige voorziening verzocht.

Desgevraagd is namens verzoeker bij faxbericht van 9 juli 2007 het verzoek toegelicht.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ter motivering van zijn verzoek heeft verzoeker aangevoerd dat door het beëindigen van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en het vooruitzicht dat de uitkomst van de door het Uwv bij de Raad ingestelde beroepsprocedure nog lang op zich laat wachten, hij in grote financiële en sociale problemen is geraakt. Hij is niet langer in staat zijn vaste lasten te voldoen waaronder zijn ziektekostenpremie, waardoor zijn gezondheid in ernstig gevaar dreigt te komen omdat hij afhankelijk is van dure medicijnen voor de behandeling van de ziekte van Crohn.

Desgevraagd is door verzoeker aangegeven dat hij geen andere bron van inkomsten heeft waardoor hij grote schulden heeft gemaakt bij familie, vrienden en zijn ziektekostenverzekeraar, dat hij de zorg heeft over twee kinderen, zijn partner een inkomen verdient tussen € 1100,- en € 1200,- per maand en dat dit inkomen ontoereikend is om de vaste lasten van het gezin te kunnen dragen, waaronder een huur van € 550,-, ziektekosten van circa € 240,- en de kosten van het huishouden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ten aanzien van de financiële en sociale problemen constateert de voorzieningenrechter dat door verzoeker is aangegeven dat zijn partner een inkomen heeft en dat verzoeker zijn standpunt niet heeft onderbouwd met gegevens die inzicht geven in zijn financiële situatie. Verzoeker heeft dan ook volgens de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat hij door het ingstelde hoger beroep door het Uwv en het voorlopig uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar in een onhoudbare financiële noodsituatie is geraakt. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

Voor zover het verzoek zou moeten worden opgevat als een verzoek om de schorsende werking van het hoger beroep op te heffen, overweegt de voorzieningenrechter dat de wederzijds zich aandienende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de in de aangevallen uitspraak gegeven opdracht aan het Uwv tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar in dat geval zouden moeten worden beschouwd en afgewogen tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de wetgever blijkens artikel 19 van de Beroepswet in combinatie met onderdeel C van de bijlage bij die wet, onder 1, uitdrukkelijk schorsende werking heeft willen toekennen aan het bezwaar en beroep tegen besluiten als de onderhavige. De door verzoekers gemachtigde aangevoerd omstandigheid dat verzoeker voor zijn inkomen afhankelijk is van onderhavig uitkeringsrecht acht de voorzieningenrechter, mede in het licht van de bovenomschreven toets, vooralsnog onvoldoende om enig spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorzieningen aan te nemen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is gelet op het hiervoor overwogene kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak zal doen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.

JL