Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1558

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-08-2007
Datum publicatie
13-08-2007
Zaaknummer
04/6686 WAO en 07/538 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nader besluit. Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Proceskostenveroordeling. Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6686 WAO en 07/538 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B. ] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 25 oktober 2004, 04/382 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. van Buuren, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Bij brief van 11 januari 2007 heeft het Uwv nadere stukken ingezonden. Daaronder bevond zich een afschrift van een nader besluit van gelijke datum met bijlagen.

Bij brief van 16 januari 2007 heeft het Uwv in aanvulling op genoemde brief van 11 januari 2007 een nadere arbeidskundige toelichting verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2007. Voor appellant is verschenen mr. Van Buuren, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. Moor.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek is de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld om te reageren op de - hiervoor genoemde, door hem in eerste instantie niet ontvangen - brief van 16 januari 2007. Bij schrijven van 14 februari 2007 is deze reactie verstrekt.

Van de zijde van het Uwv is hierop commentaar geleverd bij brief van 23 februari 2007 met bijlage.

Namens appellant is bij schrijven van 13 maart 2007 wederom een reactie ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv commentaar is geleverd bij brief van 29 maart 2007 met bijlage.

Namens appellant is andermaal een reactie ingezonden, bij schrijven van 3 april 2007.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 29 juni 2007. Voor appellant is wederom verschenen mr. Van Buuren. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in 2001 wegens onder meer klachten van zijn rug en nek uitgevallen voor zijn in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening verrichte werkzaamheden als medewerker afdeling verspaning. Per 13 januari 2002 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 22 oktober 2003 is deze uitkering met ingang van 23 december 2003 ingetrokken, op de grond dat appellants arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.

Bij besluit van 3 maart 2004, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 oktober 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet in strijd geacht met de zorgvuldigheidsvereisten. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de bevindingen van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden aan het intrekkingsbesluit ten grondslag gelegde functies.

In hoger beroep heeft appellant zijn opvatting gehandhaafd dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Ter ondersteuning van die opvatting heeft hij onder meer een tweetal rapporten van Hoensbroeck, centrum voor Arbeidsperspectief, overgelegd.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het Uwv inmiddels ter vervanging van het bestreden besluit een nader besluit, gedateerd 11 januari 2007, heeft genomen. Daarbij is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 oktober 2003 alsnog gegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op en na

23 december 2003 nader bepaald op 15 tot 25%. Hieraan ten grondslag ligt een door de bezwaararbeidsdeskundige nader ingesteld onderzoek, waarbij enkele van de geselecteerde functies alsnog als niet passend zijn komen te vervallen, als gevolg waarvan het verlies van verdiencapaciteit van appellant nader is berekend op ruim 16%, overeenkomend met indeling in de klasse 15 tot 25%.

Het besluit van 11 januari 2007, waarmee niet geheel aan het beroep van appellant is tegemoetgekomen, dient met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure te worden betrokken. In verband met de namens appellant gevorderde schadevergoeding blijft appellant belang behouden bij beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit, en derhalve bij zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, nu het daarin vervatte standpunt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 23 december 2003 minder dan 15% is, door het Uwv niet langer juist worden geacht.

De Raad overweegt voorts als volgt.

Appellant heeft in hoger beroep zijn opvatting gehandhaafd dat zijn beperkingen - aanzienlijk - ernstiger zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Daartoe wijst appellant vooreerst in het bijzonder op de beperkingen die voor hem zouden voortvloeien uit zijn migraine. Appellant stelt als gevolg van die migraine gemiddeld een tot twee dagen per week te moeten verzuimen. Daarnaast wijst appellant op het ontbreken van “Fingerspitzengefühl” waarmee hij als restgevolg van het hem in 1992 overkomen ongeval nog te kampen zou hebben en waardoor hij belemmeringen zou ondervinden bij het verrichten van fijn motorisch werk.

De Raad is van oordeel dat appellant ook in hoger beroep niet erin geslaagd is aan de hand van medische gegevens aannemelijk te maken dat zijn beperkingen ten tijde hier van belang ernstiger waren dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Het geheel van de omtrent appellant voorhanden medische rapporten en verklaringen, daaronder begrepen de beide rapporten van Hoensbroeck alsmede de diverse rapporten en verklaringen van behandelend artsen van appellant, bevatten geen objectief-medische aanknopingspunten om het ervoor te houden dat aan de verzekeringsartsen van het Uwv een onvolledig of onjuist beeld voor ogen heeft gestaan van de gezondheidssituatie van appellant op de datum in geding en van de daaruit voor hem voortvloeiende arbeidsbeperkingen.

Dat geldt met name ook voor de in hoger beroep namens appellant benadrukte migraineklachten. Concrete medische gegevens die in de richting wijzen dat appellant op en rond de datum in geding te kampen had met wezenlijke migraineproblematiek, laat staan met een zodanige ernstige vorm van migraine dat hij een tot twee dagen per week was uitgeschakeld, ontbreken. Datzelfde geldt met betrekking tot de door appellant gestelde problematiek inzake een verminderd gevoel in zijn handen, door hem aangeduid als het ontbreken van “Fingerspitzengefühl”. Bij zijn oordeelsvorming in dit kader heeft de Raad mede laten wegen dat uit het verzekeringsgeneeskundig rapport van 10 oktober 2003 van de arts L.H.W. Sabel blijkt dat deze arts informatie van de behandelend neuroloog in zijn beoordeling heeft betrokken en daarbij geen informatie heeft aangetroffen die wijst op enig ernstig lijden bij appellant op neurologisch gebied. Ook voor de overige gezondheidsklachten van appellant geldt dat op grond van de voorliggende gegevens niet is kunnen blijken dat deze door het Uwv in onvoldoende mate zijn erkend.

In het bovenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding aanwezig acht om appellant, zoals verzocht, nader te doen onderzoeken door een onafhankelijk neuroloog.

Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld, staat voor de Raad tevens genoegzaam vast dat appellant op de datum in geding in staat was tot het verrichten van de functies die thans nog resteren als grondslag voor de schatting. De Raad acht de door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv in zijn rapport van 10 januari 2007 met betrekking tot de passendheid van die functies verstrekte nadere toelichting overtuigend.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het besluit van 11 januari 2007 geen bezwaren in rechte ontmoet.

Het door appellant gedane verzoek tot vergoeding van schade, welk verzoek door de Raad wordt opgevat als een verzoek tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering, dient te worden toegewezen. Wat betreft de wijze deze rente dient te worden berekend, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.

De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand in beroep begroot op € 644,- en in hoger beroep op € 1.127,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 3 maart 2004;

Verklaart het beroep, voor zover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 11 januari 2007, ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.771,- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M.C. Bruning en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

SSw