Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1506

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
06-5674 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Tweede generatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/5674 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A. te B. ] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 26 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 21 september 2006, kenmerk JZ/C70/2006, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 -1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007. Namens appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Namens appellant, die is geboren in 1944, is in maart 1998 bij verweerster een aanvraag op grond van de Wet ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en voorzieningen. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 31 december 1998. Hierbij is overwogen dat appellant geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet en dat er geen termen zijn hem met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen op grond van - voor zover nog van belang - bij hem bestaande tweede generatie problematiek. Op dit laatstgenoemde punt heeft verweerster overwogen dat bij appellant geen sprake is van psychische klachten die in overwegende mate in verband staan met de vervolging van zijn vader en bij hem bestaande vervolgingsgevolgen. Tegen genoemd besluit zijn namens appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

In februari 2006 heeft appellant bij verweerster een verzoek om herziening doen indienen. Dit verzoek heeft verweerster bij besluit van 29 mei 2006 afgewezen en deze afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op de bij wet van 7 juli 1994, Stb 1994, 519, tot stand gebrachte wijziging van artikel 3, tweede lid, van de Wet, is gelijkstelling met de vervolgde op grond van (uitsluitend) tweede generatieproblematiek niet meer mogelijk, terwijl het door verweerster nadien op dit punt nog gevoerde, begunstigende beleid ten aanzien van personen die vóór de bevrijding werden geboren per 1 januari 2002 is beëindigd.

Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd een eerder door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Verweerster heeft in het kader van de haar bij artikel 61, tweede lid, van de Wet toegekende bevoegdheid ten aanzien van verzoeken als de onderhavige een gedragslijn ontwikkeld, inhoudende dat - gegeven de sluiting van de Wet voor personen die behoren tot de tweede generatie - alleen dan aanleiding bestaat tot herziening over te gaan indien bij het nemen van het eerdere (afwijzende) besluit een aperte, verweerster verwijtbare fout is gemaakt. Deze maatstaf is voor appellant gaan gelden ingaande 1 januari 2002, met ingang van welke datum het bovenbedoelde beleid ten aanzien van personen die vóór de bevrijding zijn geboren werd beëindigd.

De Raad heeft inmiddels in vaste rechtspraak aanvaard dat verweerster gerechtigd is een verzoek om herziening als het onderhavige aan deze maatstaf te toetsen.

Appellant is van oordeel dat bij verweersters eerdere besluit aperte, verweerster te verwijten fouten zijn gemaakt, die aanleiding hadden moeten geven dit besluit te herzien. Hij heeft daartoe gewezen op de omstandigheid dat de medische gegevens van appellants vader door verweerster in 1998 ten onrechte niet zijn betrokken bij de beoordeling van de vraag of bij appellant sprake is van tweede generatieproblematiek.

De Raad kan appellant in deze opvatting niet volgen. Naar tussen partijen niet in geschil is, zijn de medische gegevens van de vader van appellant niet betrokken geweest bij verweersters besluitvorming in 1998. De Raad heeft in zijn jurisprudentie met betrekking tot aanvragen om gelijkstelling als tweede generatieslachtoffer altijd als eis gesteld dat de door verweerster ingeschakelde medicus teneinde zich een goed beeld te kunnen vormen over de voorliggende tweede generatieproblematiek, beschikt over de medische gegevens met betrekking tot de vervolgde ouder. In het geval van appellant had de beschikbaarheid van de medische gegevens met betrekking tot de vader van appellant, naar het oordeel van de Raad, in 1998 echter niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat verweerster in de bezwaarfase van het onderhavige geding een medische herbeoordeling op basis van de aanwezige gegevens inclusief die van appellants vader heeft doen verrichten. De Raad volgt verweerster in het oordeel dat deze gegevens in dit geval niet tot een andere conclusie hadden kunnen leiden, nu bij de vader van appellant blijkens deze gegevens geen psychopathologie is vastgesteld en de geneeskundig adviseur van verweerster dus niet is toegekomen aan de vraag of de ziekten en gebreken van appellant in overwegende mate zijn veroorzaakt door de vervolgingsgevolgen van zijn vader. De Raad ziet hierin in dit geval dus geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

Gezien het vorenstaande treffen de grieven van appellant geen doel en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2007.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

13.07