Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1500

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
06-6748 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen gelijkstelling met vervolgde. Niet voldaan aan de gestelde voorwaarde van nationaliteit en territorialiteit. Geen hechte en duurzame verbondenheid met de Nederlands-Indische samenleving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6748 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A. te B. ] (Indonesië) (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 26 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 8 september 2006, kenmerk JZ/W/60/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007. Daar is appellant niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1914 in het voormalige Nederlands-Indië, in mei 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat hij als militair van het voormalige Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (verder: KNIL) tijdens de Japanse bezettingsperiode krijgsgevangenschap heeft ondergaan.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 13 januari 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, primair op de grond dat appellant geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan, subsidiair op de grond dat appellant niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, van de Wet gestelde voorwaarde van nationaliteit en territorialiteit en dat er geen termen bestaan appellant met toepassing van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, nu hij evenmin voldoet aan de door verweerster in het kader van artikel 3, tweede lid, van de Wet gehanteerde beleidsregel.

De Raad overweegt als volgt.

Blijkens het verweerschrift heeft verweerster op grond van nader verkregen informatie alsnog aanvaard dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Gezien dit nadere standpunt van verweerster dient de Raad te beoordelen wat er is van het bestreden besluit betreffende de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet.

Ingevolge dat artikellid is verweerster bevoegd, met de vervolgde gelijk te stellen de persoon ten aanzien van wie het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Deze bevoegdheid is discretionair van aard.

Dit betekent dat voorligt de vraag of verweerster niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen, ten aanzien van appellant niet van die bevoegdheid gebruik te maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

Verweerster heeft van de haar in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid ten aanzien van appellant geen gebruik gemaakt, omdat hij niet beantwoordt aan een beleidsregel die verweerster heeft ontwikkeld en toepast ten aanzien van personen die vervolging hebben ondergaan doch - zoals appellant - niet voldoen aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Wet.

Deze beleidsregel heeft als kern dat een betrokkene moet kunnen wijzen op een hechte en duurzame verbondenheid met de Nederlands-Indische samenleving.

Aangezien appellant tot een categorie van personen behoort die, naar het inzicht van verweerster, althans in beginsel, enkel op een relatie met die samenleving kunnen wijzen indien er van een dienstverband met het KNIL sprake is geweest, heeft verweerster in aanmerking willen nemen dat er in een geval als dat van appellant zich een hechte en duurzame verbondenheid in vorenbedoelde zin voordoet als er sprake is van:

a. een periode van krijgsgevangenschap die de gehele oorlogsperiode - van (in elk geval) 8 maart 1942 tot 15 augustus 1945 - heeft omvat, dan wel, ook over die periode, een aanvankelijke krijgsgevangenschap die aansluitend is gevolgd door verplichte tewerkstelling als krijgsgevangene;

én

b. een dienstverband met het KNIL van tenminste 10 jaren, welk dienstverband

- bijzonderheden als onder andere in de vorm van medische afkeuring daargelaten - niet eerder mag zijn beëindigd dan in juli 1950, wegens de opheffing van het KNIL.

De Raad heeft reeds meermalen uitgesproken dat de zojuist beschreven beleidsregel niet onjuist of onredelijk is.

Wat betreft het geval van appellant is niet in geschil dat hij voldoet aan de onder b. genoemde voorwaarde. De Raad stelt evenwel op grond van het onder de gedingstukken bevindende Voorlopig Stamboek vast dat appellant van 19 maart 1942 tot in september 1943 te Sanga Sanga krijgsgevangenschap heeft ondergaan. Een krijgsgevangenschap gedurende de gehele oorlogsperiode dan wel een daarop aansluitende periode waarin appellant in zijn hoedanigheid van krijgsgevangene verplicht tewerk is gesteld is de Raad evenwel niet gebleken.

Dit betekent dat appellant niet aan onderdeel a van de hiervoor beschreven beleidsregel voldoet.

Gezien het voorgaande kan niet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen ten aanzien van appellant geen toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet.

Het bestreden besluit kan dan ook de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2007.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

28.06