Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1494

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
06-7432 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaald verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/7432 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A. te B. ] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 26 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 24 november 2006, kenmerk JZ/M60/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 14 juni 2007. Aldaar is appellant, naar tevoren was gemeld, niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren op 14 augustus 1935 in het voormalige Nederlands-Indië heeft in 1996 bij verweerster een aanvraag ingediend met de primaire strekking om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als relevante ervaringen tijdens de Japanse bezetting heeft appellant naar voren gebracht: zijn vlucht uit de dessa Deliwang/Kalibogor (a), zijn internering in het kamp Halmaheira (b) en zijn verblijf in het buitenkamp Halmaheira (c). Als ervaringen tijdens de Bersiap-periode heeft appellant genoemd: het meemaken van beschietingen en gewelddadigheden (waaronder gedwongen ontucht met een Javaanse vrouw) (d), zijn verblijf in een broederscholencomplex Randosarie (e) en zijn verblijf in een B-kamp te Soerabaja (f). Deze aanvraag is afgewezen bij verweersters besluit van 4 augustus 1997, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 februari 1998, op de grond dat de door appellant genoemde oorlogsgebeurtenissen deels niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht en deels onvoldoende aannemelijk zijn geworden.

Een door appellant tegen laatstgenoemd besluit ingediend beroep is bij uitspraak van deze Raad van 13 december 2001, reg. nr. 98/2589 WUBO, ongegrond verklaard.

In oktober 2002 heeft appellant aan verweerster verzocht om herziening van voornoemd besluit. Bij besluit van 16 april 2003 heeft verweerster dit verzoek afgewezen, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 september 2003, onder overweging dat op basis van de door appellant ingebrachte getuigenverklaringen onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat hij is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Een door appellant tegen het besluit van 30 september 2003 ingediend beroep is bij uitspraak van deze Raad van 7 oktober 2004, reg. nr. 03/5197 WUBO ongegrond verklaard. De Raad heeft hierbij overwogen dat uit de getuigenverklaringen en uit eerder verricht onderzoek in de archieven van het Nederlandse Rode Kruis alsmede in relatiedossiers geen objectieve bevestiging is gevonden op grond waarvan kan worden aangenomen dat ten aanzien van appellant sprake is van onder de Wet vallend oorlogsgeweld.

Bij schrijven van 3 november 2005 heeft appellant onder inzending van getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] verweerster andermaal verzocht om herziening van haar eerder ingenomen standpunt. Verweerster heeft bij besluit van 28 augustus 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, geweigerd haar eerdere besluit te herzien.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, de vraag centraal of appellant bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster hierin aanleiding had moeten vinden tot herziening over te gaan.

Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Hij stelt vast dat de beide door appellant ingezonden getuigenverklaringen betrekking hebben op door hem gestelde internering in het Halmaheirakamp. De verklaring van [getuige 1] heeft verweerster niet geloofwaardig geacht, omdat blijkens de omtrent deze persoon zelf bij verweerster bekende gegevens zij gedurende de oorlogsjaren op een geheel andere plaats heeft verbleven. Aan de verklaring van [getuige 2], die zelf gedurende de Japanse bezetting wel in het kamp Halmaheira geïnterneerd is geweest, heeft verweerster niet voldoende gewicht willen toekennen omdat deze aanzienlijk verschilt van hetgeen appellant zelf, zijn moeder, zijn broer en overige getuigen hebben verklaard.

De Raad kan verweerster in deze opvatting volgen. De Raad laat daarbij wegen dat het in casu gaat om een herhaald verzoek om herziening en dat de door appellant aan dit verzoek ten grondslag gelegde gegevens, gelegd naast hetgeen in de eerdere procedures door hemzelf en door anderen is verklaard, geen éénduidig beeld geven omtrent zijn verblijf in het kamp Halmaheira. Onder deze omstandigheden heeft verweerster op goede gronden geweigerd tot herziening over te gaan van haar eerder ingenomen standpunt omtrent deze internering. Voor vernietiging van het bestreden besluit bestaat derhalve geen grond.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2007.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

19.06