Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1439

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
05-2144 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang maatman en maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 280

Uitspraak

05/2144 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B.] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 maart 2005, 04/3688 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.C. Hoogendam, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.F. Knoeff, kantoorgenoot van mr. drs. Hoogendam. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als personeelconsulent bij het Ministerie van Economische Zaken, toen hij per 1 november 1988 in het kader van de reorganisatie van de rijksdienst werd ontslagen. Daarbij is hem een garantiewachtgeld toegekend. Daarnaast mocht appellant werkzaamheden verrichten, met dien verstande dat de inkomsten daaruit op het wachtgeld zouden worden gekort voor zover de som van wachtgeld en inkomen 108% van het laatstverdiende ambtelijk salaris te boven ging. Appellant heeft na zijn ontslag tot 7 januari 1997 op detacheringbasis verschillende functies vervuld, waarbij het totale inkomen nooit meer heeft bedragen dan circa 90% van het laatstverdiende salaris. Per 7 januari 1997 ontving appellant naast het wachtgeld een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op het inkomen uit de laatst verrichte nevenwerkzaamheden.

Per 26 april 1999 heeft appellant zich ziek gemeld vanuit de WW. Bij besluit van 16 januari 2001 is hem per 24 april 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij dit besluit is hem tevens over de periode van 24 april 2000 tot 17 mei 2000 een maatregel van 5% opgelegd wegens te laat indienen van de WAO-aanvraag.

Bij besluit van eveneens 16 januari 2001 is de WAO-uitkering van appellant per 17 maart 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 7 mei 2003 zijn de bezwaren van appellant tegen beide besluiten van

16 januari 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 februari 2004 het besluit van 7 mei 2003 vernietigd omdat de keuze van de maatman onvoldoende was gemotiveerd. Partijen hebben in deze uitspraak berust. Bij het nieuwe besluit op bezwaar van 11 augustus 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv als maatman aangenomen de personeelconsulent bij het Ministerie van Economische Zaken voor 36 uur per week en is het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat zijn ziekmelding per 26 april 1999 alleen betrekking had op de civiele nevenbetrekking, voor welke hij een WW-uitkering ontving. Appellant meent dat de ambtelijke hoofdbetrekking ten onrechte bij de beoordeling in het kader van de WAO is betrokken. De essentie van de ziekmelding was dat hij een functie, waarin veel met een auto moest worden gereden, niet wilde accepteren. Hij lijdt aan diabetes en is uitgevallen na een hypo, waardoor hij is gevallen en een schedelbasisfractuur heeft opgelopen. De verantwoordelijkheid voor de eventuele gevolgen van een comateuze hypo achter het stuur wilde hij niet aanvaarden.

Appellant acht zich benadeeld door de maatmankeuze. Omdat de wachtgeldfunctie bij de vaststelling van de WAO-uitkering mede in aanmerking is genomen, is zijn recht op wachtgeld geëindigd, zijn pensioenopbouw gestopt en zijn ziekenfondsverzekering niet gecontinueerd. Voorts meent appellant dat te veel medische gegevens uit de voorgaande periode bij de beoordeling zijn betrokken. Hij had die helemaal niet hoeven te vermelden op de eigen verklaring. Ten aanzien van de opgelegde maatregel stelt appellant zich op het standpunt dat hem terzake van de te late aanvraag geen blaam treft. Hij was zijn gegevens kwijt door een computercrash en kon het formulier niet eerder inzenden.

Het Uwv heeft in verweer zijn standpunt gehandhaafd dat als maatman de ambtelijke hoofdbetrekking moet worden aangenomen. Voorts stond op het WAO-aanvraagformulier vermeld voor wanneer het moest worden teruggezonden en komt de computercrash voor risico van appellant.

De Raad stelt vast dat de medische onderbouwing van het bestreden besluit niet langer ter discussie staat. Het hoger beroep is beperkt tot de omvang van de maatman en de opgelegde maatregel.

Ingevolge artikel 2 van het Schattingsbesluit WAO, WAZ, Wajong (hierna: Besluit) zoals dit ten tijde in geding luidde, wordt onder maatmaninkomen verstaan: het inkomen per uur dat gezonde personen bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO met arbeid als werknemer gewoonlijk verdienen.

Blijkens artikel 3 van de WAO is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijk of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

De Raad overweegt dat appellant ten tijde van zijn uitval een wachtgeld ontving voortvloeiend uit en gebaseerd op zijn voormalige functie bij het Ministerie van Economische Zaken en daarnaast een WW-uitkering gebaseerd op de laatste, in het kader van de detachering, verrichte functie. Naar het oordeel van de Raad vloeit uit het systeem van de WAO voort dat in een geval als het onderhavige niet alleen de wachtgeldfunctie maar ook de na het ontslag aanvaarde functie bij de vaststelling van de maatman worden betrokken. Hetgeen appellant ten tijde van zijn uitval verdiende was immers ontleend aan beide functies. Er is derhalve sprake van een gecombineerde maatman. Nu het Uwv alleen de wachtgeldfunctie als maatman heeft aangemerkt, dient het bestreden besluit wegens een ontoereikende arbeidskundige onderbouwing te worden vernietigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het standpunt van het Uwv ten aanzien van de omvang van de maatman is onderschreven niet in stand kan blijven.

De Raad ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

Hetgeen hiervoor is overwogen heeft tot gevolg dat in het geval van appellant bij de bepaling van het maatmaninkomen dient te worden uitgegaan van de combinatie van functies. Het inkomen daaruit kon in beginsel maximaal 108% van het laatst verdiende bruto ambtelijke salaris bedragen. Echter, nu appellant ter zitting heeft verklaard dat de combinatie van wachtgeld en inkomsten uit de nevenfunctie nooit meer heeft bedragen dan 90% van het laatst verdiende bruto salaris als personeelconsulent bij het Ministerie van Economische Zaken, is appellant met een maatmaninkomen ter hoogte van het bruto salaris van de personeelconsulent niet benadeeld.

Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht appellant de maatregel van 5% korting van de WAO-uitkering over 23 dagen heeft opgelegd. De Raad overweegt daartoe dat niet in geding is dat appellant het WAO-aanvraagformulier te laat heeft ingezonden. De reden die daarvoor is aangedragen – een computercrash, waardoor appellant, die al zijn papieren inscande en daarna vernietigde, niet meer over de voor de aanvraag relevante gegevens beschikte – dient voor rekening van appellant te komen. Door in die tijd geen back-up van zijn computerbestanden te maken liep appellant het risico dat hij de desbetreffende gegevens zou kwijtraken. Appellants beroep op het ontbreken van verwijtbaarheid kan dan ook niet slagen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal

€ 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemerszekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2007.

(get). Ch. van Voorst.

(get.) M. Gunter.

JL