Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1394

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
06/4796 NABW t/m 06/4800 NABW + 06/4802 NABW t/m 06/4806 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het voorschot; bevoegdheid tot het nemen van besluiten; redelijke termijn; intrekking; terugvordering; nieuwe aanvraag; proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 331

Uitspraak

06/4796 NABW t/m 06/4800 NABW

06/4802 NABW t/m 06/4806 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te Oss,

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 juli 2006, 03/1830, 03/1831, 03/1832, 03/1834 en 03/3450 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2007. Appellant is verschenen, mede namens appellante. Voor het College zijn verschenen mr. M.W.J. Nass en mr. L.H.J. Verhoeven, werkzaam bij de gemeente Oss.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad allereerst naar de aangevallen uitspraak. Gelet op de in hoger beroep nog resterende punten van geschil, zoals besproken ter zitting van de Raad, volstaat de Raad hier met het volgende.

Appellanten ontvingen vanaf 15 april 1998 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit van 16 augustus 2002 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 24 juli 2002 beëindigd op de grond dat het door hen opgegeven adres niet overeenkomt met de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie. Als gevolg van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 september 2002 is de verlening van de bijstand met terugwerkende kracht tot 13 augustus 2002 hervat. Bij besluit van 20 mei 2003 heeft het College onder meer het tegen het besluit van 16 augustus 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat het recht van appellanten op bijstand niet langer kan worden vastgesteld omdat appellanten aan het College geen juiste en volledige inlichtingen hebben gegeven over aard en omvang van hun werkzaamheden, over de aankoop en de werkzaamheid van twee door appellanten bestuurde buitenlandse vennootschappen en over de daaruit ontvangen inkomsten. Het tegen dit besluit ingestelde beroep was bij de rechtbank aanhangig onder nummer 03/1830.

De als gevolg van de hiervoor genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter hervatte bijstand, is bij besluit van het College van 10 december 2002 met ingang van 26 november 2002 ingetrokken. Bij afzonderlijk besluit van 20 mei 2003 heeft het College onder meer het tegen het besluit van 10 december 2002 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Ook aan dat besluit is, met de hierboven weergegeven overwegingen, ten grondslag gelegd dat het recht van appellanten op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. Het tegen dit besluit ingestelde beroep was bij de rechtbank aanhangig onder nummer 03/1831.

Appellanten hebben zich op 20 december 2002 gemeld voor het indienen van een nieuwe aanvraag om bijstand. Bij besluit van het College van 4 februari 2003 is de aanvraag onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen. Bij afzonderlijk besluit van 20 mei 2003 heeft het College onder meer het tegen het besluit van 4 februari 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, onder wijziging van de motivering in die zin dat de aanvraag voor zover daarmee wordt beoogd de bijstand te doen ingaan vanaf 26 november 2002 alsnog wordt afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt teruggekomen op de intrekking van de bijstand per die datum. Voor zover het gaat om de periode vanaf 20 december 2002 is de buiten behandeling stelling overeind gelaten. Het tegen dit besluit ingestelde beroep was bij de rechtbank aanhangig onder nummer 03/1832.

Bij afzonderlijk besluit van 20 mei 2003 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen zijn besluit van 10 januari 2003 tot afwijzing van een door appellanten gevraagd voorschot ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep was bij de rechtbank aanhangig onder nummer 03/1834.

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft het College de over de periode van 15 april 1998 tot en met 23 juli 2002 en over de periode van 13 augustus 2002 tot en met 25 november 2002 ingetrokken en de over deze tijdvakken betaalde kosten van bijstand tot een bedrag van € 67.642,59 van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 12 november 2003 heeft het College het tegen het besluit van 9 juli 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden, waardoor hun recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het tegen dit besluit ingestelde beroep was bij de rechtbank aanhangig onder nummer 03/3450.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 mei 2003 betreffende het voorschot niet-ontvankelijk verklaard, en de beroepen tegen de overige drie besluiten van 20 mei 2003 - voor zover in hoger beroep van belang - en het beroep tegen het besluit van 12 november 2003 ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellanten zich daartegen gemotiveerd gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

De afwijzing van het voorschot

De Raad stelt, ambtshalve oordelend, vast dat het College en de rechtbank niet hebben onderkend dat het maken van bezwaar en het instellen van beroep tegen een besluit omtrent het toepassen van artikel 74 van de Abw niet mogelijk is, gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, in verbinding met artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en onderdeel F, onder 2, van de bij deze wet behorende bijlage.

De Raad zal de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het beroep met nummer 03/1834 vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het desbetreffende besluit van 20 mei 2003 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen wegens strijd met de wet, en met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2003 niet-ontvankelijk te verklaren.

De bevoegdheid tot het nemen van besluiten

Appellanten hebben aangevoerd dat een viertal primaire besluiten is genomen door een daartoe niet bevoegde ambtenaar. Deze grief treft geen doel. Niet in geschil is dat de desbetreffende besluiten op bezwaar, waarbij de primaire besluiten zijn gehandhaafd, alle zijn genomen door het College zelf.

De redelijke termijn (artikel 6 EVRM)

Appellanten stellen zich op het standpunt dat de procedures zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden.

Appellanten hebben voor het eerst op 22 augustus 2002 bezwaar gemaakt, te weten tegen de intrekking van de bijstand met ingang van 24 juli 2002. De Raad constateert dat vanaf de indiening van dit bezwaar tot aan de datum van deze uitspraak van de Raad bijna vijf jaar is verstreken. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 8 december 2004, LJN AR7273, is de Raad van oordeel dat daardoor de in artikel 6 bedoelde termijn is overschreden. Ook in de gedingen die zijn aangevangen met de bezwaarschriften van appellanten van 12 december 2002, 14 januari 2003 en 8 februari 2003 doet zich deze overschrijding voor. Noch in de zaken zelf, noch in de opstelling van appellanten kan een rechtvaardiging worden gevonden voor de lange duur van de procedure. Dat wordt niet anders door het feit dat de rechtbank partijen na de zitting van 7 april 2005 enige tijd heeft gegeven om in onderling overleg tot een oplossing van hun geschillen te komen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat op 28 juni 2005 uit de opstelling van partijen al duidelijk was geworden dat de rechtbank de zaak zou moeten hervatten, wat pas ter zitting van de rechtbank van 4 juli 2006 is geschied.

Voor zover appellanten menen dat zij schade hebben ondervonden door het rechterlijk aandeel in de overschrijding van de redelijke termijn en dat deze schade vergoed behoort te worden, dienen zij zich daarvoor te wenden tot de burgerlijke rechter.

Naar het oordeel van de Raad is het bestuurlijk aandeel in de overschrijding van de redelijke termijn alleen in de zaak van de intrekking van de bijstand met ingang van 24 juli 2002 te lang. Op het bezwaar van 22 augustus 2002 is pas op 20 mei 2003 beslist. Als gevolg daarvan zijn appellanten te lang er vanaf gehouden om het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren. Met vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre (zaaknummer 03/1830), dient het beroep tegen het desbetreffende besluit van 20 mei 2003 derhalve gegrond te worden verklaard. Dit besluit komt wegens strijd met artikel 6 van het EVRM voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal de vraag of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten beantwoorden bij de bespreking van de intrekking van de bijstand.

De Raad acht het aannemelijk dat appellanten als gevolg van de lange duur van de behandeling een daadwerkelijke spanning en frustratie hebben ondergaan. De Raad ziet op die grond aanleiding om de gemeente Oss te veroordelen tot vergoeding van de door appellanten geleden immateriële schade. De Raad stelt de schadevergoeding vast op

€ 500,--.

De intrekking

Bij besluit van 16 augustus 2002 is de bijstand met ingang van 24 juli 2002 beëindigd. Volgens vaste rechtspraak dient deze beëindiging te worden aangemerkt als een intrekking met terugwerkende kracht. Daarbij loopt de door de rechter te beoordelen periode in dit geval volgens eveneens vaste rechtspraak van 24 juli 2002 tot en met de datum van het primaire besluit. Daarvan uitgaande en mede gelet op de beide andere hiervoor aangehaalde besluiten tot intrekking van de bijstand, dient te worden beoordeeld of het College terecht is overgegaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 15 april 1998 tot en met 25 november 2002.

Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat appellanten gedurende de gehele in geding zijnde periode werkzaamheden hebben verricht in de sfeer van administratie/boekhouding en belastingadviezen. Daarbij zijn appellanten werkzaam geweest voor de onder hun beheer staande [naam stichting], is appellant vereffenaar geweest van deze stichting, hebben appellanten in 2001 twee buitenlandse vennootschappen aangekocht, en zijn zij werkzaam geweest onder de handelsnaam [handelsnaam]. Dat sprake is van substantiële werkzaamheden blijkt onder meer uit getuigenverklaringen, zoals aangehaald in de aangevallen uitspraak, en uit een door de FIOD verstrekte lijst van 24 namen van personen voor wie appellant in de jaren 2000 en 2001 om uitstel vroeg voor het doen van belastingaangifte. Verder blijkt uit de gedingstukken van financiële transacties tussen de [naam stichting] en de hiervoor bedoelde vennootschappen, waartoe appellanten voor die vennootschappen bankrekeningen hadden geopend. Het College heeft er in dit verband niet ten onrechte op gewezen dat het hier gaat om substantiële bedragen, die niet alleen kunnen worden verklaard uit de vereffening van de [naam stichting]. De hiervoor bedoelde activiteiten van appellanten moeten worden beschouwd als economische, en derhalve als op geld waardeerbare activiteiten. Het standpunt van appellanten dat het bij het doen van een administratie of van een belastingaangifte veelal ging om vriendendiensten wijst de Raad, mede tegen de achtergrond van het voorafgaande, als zonder meer onvoldoende onderbouwd van de hand.

De Raad kan zich voorts geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust, dat appellanten de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet uit eigen beweging (volledig) melding te doen van hun werkzaamheden en van de werkzaamheid van de door hen bestuurde vennootschappen, en ook niet nadien desgevraagd volledige opening van zaken te geven. Evenals de rechtbank kent de Raad geen zwaarwegende betekenis toe aan de wel beschikbare jaarstukken van de [naam stichting] en van de meergenoemde vennootschappen, nu deze door het kantoor van appellanten zelf zijn opgemaakt en appellanten onvoldoende inzicht hebben gegeven in de onderliggende transacties, terwijl deze stukken bovendien geen (controleerbaar) inzicht geven in de feitelijke inkomsten van appellanten.

De Raad volgt de rechtbank eveneens in haar oordeel over het standpunt van appellanten dat zij niet in staat waren meer gegevens over te leggen dan zij hebben gedaan als gevolg van het feit dat diverse spullen verloren zijn gegaan bij de ontruiming van hun woning op 23 mei 2002. De Raad tekent daarbij aan dat, zo is ter zitting gebleken, het College niet van appellanten verlangt dat zij alle facturen, bonnen, e.d. in het geding brengen, maar dat zij in ieder geval aangeven op welke activiteiten de diverse transacties in de financiële jaarstukken zien. In dit verband overweegt de Raad ten slotte dat niet aannemelijk is geworden dat het College originelen van bankafschriften, die door appellanten om privacyredenen gedeeltelijk onleesbaar zijn gemaakt, heeft achtergehouden en dat appellanten daardoor niet in staat zijn om op dat punt nadere opheldering te geven.

Appellanten hebben nog aangevoerd dat het op 30 augustus 2002 afgelegde, onaangekondigde huisbezoek onrechtmatig was, zodat datgene wat tijdens dat huisbezoek is aangetroffen niet als bewijs mag worden gehanteerd. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellanten daarin niet. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er een redelijke grond bestond voor het afleggen van een dergelijk bezoek, namelijk om duidelijkheid te verkrijgen over de woonsituatie van appellanten. Daarbij betrekt de Raad dat het door appellanten opgegeven adres verwees naar een bedrijfspand gelegen op een industrieterrein. Net als de rechtbank vermag de Raad niet in te zien waarom het College vervolgens in de omstandigheden waaronder appellanten bij het huisbezoek werden aangetroffen geen aanleiding heeft mogen zien om een (nader) onderzoek in te stellen naar de economische activiteiten van appellanten.

Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat, als gevolg van de hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting, niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellanten gedurende de in geding zijnde periode verkeerden in bijstandbehoevende omstandigheden. De schending van de inlichtingenverplichting heeft er derhalve toe geleid dat aan appellanten over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend. Het College was op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw dan ook gehouden de bijstand over deze periode in te trekken. De Raad ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, op grond waarvan het College bevoegd was geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Voor zover het hoger beroep de intrekking betreft, slaagt het niet. Dat brengt in de eerste plaats met zich dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 20 mei 2003 betreffende de intrekking van de bijstand met ingang van 24 juli 2002 in stand kunnen worden gelaten. Het voorgaande brengt tevens mee dat de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op het beroep met zaaknummer 03/1831 voor bevestiging in aanmerking komt. De vraag of de aangevallen uitspraak met betrekking tot het beroep met zaaknummer 03/3450 in stand kan blijven betreft niet alleen de intrekking. Deze vraag dient mede te worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van de hierna te bespreken terugvordering.

De terugvordering

Met hetgeen hiervoor is overwogen over de intrekking is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College was gehouden om tot terugvordering van de over de periodes van 15 april 1998 tot en met 23 juli 2002 en van 13 augustus 2002 tot 26 november 2002 gemaakte kosten van bijstand over te gaan. De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Van de kant van appellanten is ter zitting van de Raad, en ook al in een eerder stadium van de procedure, erop gewezen dat het totaalbedrag van de terugvordering niet juist is als gevolg van een te hoge bijtelling van de over 2002 betaalde bijstand. De Raad stelt vast dat in het in het besluit van 4 juli 2003 opgenomen overzicht van de betaalde bijstand bij het jaar 2002 een bedrag van € 9.702,57 is vermeld, en dat in de kolom totaal voor dat jaar een bedrag van € 13.928,81 is opgenomen. Voorts correspondeert het eerstgenoemde bedrag wel, en het laatstgenoemde bedrag niet met de zich bij de gedingstukken bevindende specificatie van de betaalde bijstand over het dienstjaar 2002. Ter zitting kon hierover geen opheldering van de kant van het College worden verkregen. Naar het oordeel van de Raad staat hierdoor niet vast dat het totaalbedrag van de terugvordering juist is. Dat betekent dat het terugvorderingsbesluit in zijn geheel - een dergelijk besluit is volgens vaste rechtspraak van de Raad wegens het daaraan verbonden karakter van executoriale titel ondeelbaar - een deugdelijke grondslag ontbeert. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op het beroep met zaaknummer 03/3450 dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 12 november 2003 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen voor zover het de terugvordering betreft. Het College zal worden opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 4 juli 2003.

De aanvraag van 20 december 2002

De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het College in redelijkheid heeft gebruik kunnen maken van de in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om deze aanvraag buiten behandeling te stellen, aangezien appellanten de door het College met het oog op een goede beoordeling van de aanvraag nodig geachte nadere gegevens niet binnen de gestelde (verlengde) termijn hebben verstrekt. De Raad ziet in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Aan de na het besluit van 4 februari 2003 verstrekte gegevens komt, gelet op het hier aan de orde zijnde wettelijk kader, voor deze aanvraag geen betekenis toe.

In de bezwaarfase heeft het College deze aanvraag mede opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 10 december 2002 tot intrekking van de bijstand met ingang van 24 november 2002. Naar het oordeel van de Raad heeft het College op goede gronden geconcludeerd dat appellanten geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren hebben gebracht die rechtvaardigen dat het College terugkomt op de intrekking van de bijstand per 24 november 2002.

Op dit onderdeel (zaaknummer 03/1832) komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De proceskosten

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze worden begroot op € 42,50 wegens gemaakte reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de beroepen met procedurenummers 03/1831 en 03/1832;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de beroepen met de procedurenummers 03/1830, 03/1834 en 03/3450;

In zaak 03/1830:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 mei 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de gemeente Oss tot vergoeding van schade aan appellant tot een bedrag van € 500,--;

In zaak 03/1834:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 mei 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 10 januari 2003 niet-ontvankelijk;

In zaak 03/3450:

Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 november 2003 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover het betreft de terugvordering;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 9 juli 2003, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 42,50, te betalen door de gemeente Oss;

Bepaalt dat de gemeente Oss het door appellanten in beroep (drie procedures) en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 198,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G. van der Wiel en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.L. Rijnen.

PR/230707