Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1387

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
07-621 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Oordeel strafrechter betreft andere rechtsvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/621 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[verzoekster] (hierna: verzoekster),

van de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2006, 05/6608,

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft drs. F.W. King, rechtskundig adviseur te Leiden, gevraagd om herziening van de door de Raad op 17 oktober 2006 gegeven uitspraak.

Het College heeft een reactie op het verzoek aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2007. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door drs. King. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en

redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben

kunnen leiden.

Bij de uitspraak van 17 oktober 2006 heeft de Raad geoordeeld - samengevat - dat verzoekster in de periode van 25 april 2001 tot en met 31 augustus 2003 met [partner] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en dat [partner] in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting aan het College daarvan geen mededeling heeft gedaan. Als gevolg daarvan was het College naar het oordeel van de Raad bevoegd de kosten van de ten onrechte aan [partner] betaalde bijstand mede van verzoekster terug te vorderen.

Voor het onderhavig verzoek om herziening is namens verzoekster een beroep gedaan op een arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 20 juni 2006 waarin [partner] is vrijgesproken van het plegen van - samengevat - valsheid in geschrifte, nu naar het oordeel van het gerechtshof niet bewezen kan worden verklaard dat [partner] met opzet de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden ter zake van het voeren van een gezamenlijke huishouding met verzoekster. Daarmee is naar het oordeel van verzoekster de basis aan de uitspraak van de Raad van 17 oktober 2006 komen te ontvallen.

De Raad is van oordeel dat het overgelegde arrest van het gerechtshof niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Daartoe overweegt de Raad dat de omstandigheid dat de strafrechter [partner] heeft vrijgesproken van het plegen van valsheid in geschrifte, naar vaste rechtspraak van de Raad niet tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. De bestuursrechter is immers bij de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, teminder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Het verzoek om herziening stuit daarom af op het bepaalde in artikel 8:88, aanhef en onder c, van de Awb en dient daarom te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en

J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.F.M. Verhey als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op

7 augustus 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L. Jörg.

JK/26072007