Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
06-3618 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekkingbijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3618 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2006, 05/4460 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A. van Gemeren, advocaat te Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2007. Voor appellante is

mr. Van Gemeren verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan appellante is met ingang van 31 augustus 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij haar daartoe strekkende aanvraag heeft zij een beschikking van de rechtbank Rotterdam van

12 augustus 2004 overgelegd, waarin haar het gebruik van de echtelijke woning is toegewezen en waarin is bepaald dat haar echtgenoot, [echtgenoot] (hiema: [echtgenoot]), die woning niet meer mag betreden.

Naar aanleiding van de bevindingen van een op 31 januari 2005 afgelegd huisbezoek, die zijn weergegeven in een rapport van 25 februari 2005, heeft het College bij besluit van

28 februari 2005 de bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2005 ingetrokken.

Het tegen het besluit van 28 februari 2005 gemaakte bezwaar is bij besluit van

17 augustus 2005 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van het College voerde appellante ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding met [echtgenoot].

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van

17 augustus 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellante is op 20 oktober 1994 met [echtgenoot] gehuwd. Bij beschikking van 22 maart 2005 van de rechtbank Rotterdam is tussen partijen de scheiding van tafel en bed uitgesproken. Dit betekent dat appellante en [echtgenoot] ten tijde in dit geding van belang - de periode van

1 februari 2005 tot 28 februari 2005 - gehuwd waren. Door het recht op bijstand van appellante bij het besluit van 17 augustus 2005 te toetsen aan het criterium gezamenlijke huishouding, heeft het College een onjuiste maatstaf aangelegd. Het College had moeten beoordelen of appellante ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van [echtgenoot] en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB diende te worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient dan ook, evenals het besluit van 17 augustus 2005, te worden vernietigd.

De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad bevestigend.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van degene met wie hij gehuwd is. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is eerst sprake indien het een door beide betrokkenen of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

Bij het huisbezoek op 31 januari 2005 is [echtgenoot] in de echtelijke woning aangetroffen. Volgens het ter zake opgemaakte rapport heeft hij toen verklaard dat hij daar woont en dat zijn persoonlijke spullen zich ook daar bevinden.

Appellante heeft volgens bedoeld rapport toen verklaard dat [echtgenoot] na zijn werk naar haar woning komt en blijft eten. Hij brengt aldaar de ene keer wel en de andere keer niet de nacht door en is ook in de weekeinden geregeld bij haar. Voorts behoren de aangetroffen mannenkleren en toiletspullen [echtgenoot] toe. Appellante heeft haar verklaringen in gesprekken op 11 en 22 februari 2005 goeddeels herhaald.

Uitgaande van deze feiten en omstandigheden en in aanmerking genomen dat appellante in verwachting was van een kind van [echtgenoot] en in augustus 2005 uitgerekend was, staat naar het oordeel van de Raad genoegzaam vast dat appellante in de periode van

1 februari 2005 tot 28 februari 2005 niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot.

Omdat appellante in de periode van 1 tot 28 februari 2005 niet kan worden aangemerkt als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB kan zij niet worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had zij geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Aangezien appellante het College geen mededeling heeft gedaan van de omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat zij niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, heeft zij de ingevolge artikel 17 van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

Hieruit vloeit voort dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2005 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 augustus 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellante het in beroep en in hoger beroep

betaalde griffierecht van in totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op

7 augustus 2007.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) P.E. Broekman.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending

beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303,

2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen

inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

PR/190707