Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1366

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
05-4815 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4815 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 juni 2005, 04/1160

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.H.H. Schepers, advocaat te Deventer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 maart 2006 zijn de beroepsgronden aangevuld onder overlegging van een rapport van 23 februari 2006, dat op verzoek van appellante door de psychiater

dr. L. Timmerman is uitgebracht.

Het Uwv heeft bij brief van 20 juni 2006 een schriftelijk commentaar op dit rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter ingezonden.

Appellante heeft hierop bij brief van 26 oktober 2006 gereageerd middels inzending van een brief van 17 oktober 2006 van de psychiater Timmerman.

Bij brief van 22 maart 2007 heeft het Uwv een rapport van 20 maart 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige M.J.W.M. Willemse ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Schepers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H. Siemeling.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat hier met het volgende. Op 24 februari 2003 heeft appellante haar werkzaamheden van administratief medewerkster gedurende 24 uur per week in dienst van Sallcon Werktalent te Deventer wegens psychische klachten gestaakt. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 13 augustus 2004 heeft het Uwv het besluit van 19 februari 2004 gehandhaafd. Daarbij is de aanvraag van appellante afgewezen om haar na afloop van de wettelijke wachttijd per 22 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Deze afwijzing vindt zijn grondslag in de opvatting dat appellante voor haar eigen werk geschikt moet worden geacht en dat zij daarnaast ook in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten behorend bij de voor haar door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geschikt geachte functies.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat de medische beperkingen van appellante bij het bestreden besluit niet zijn onderschat. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de betrokken bezwaarverzekeringsarts alsnog appellante beperkt heeft geacht in het aantal uren dat zij kan werken, te weten maximaal 24 uur per week en dat bij de medische oordeelsvorming de inlichtingen van appellantes huisarts, de behandelende psychiaters, de door de Gemeentelijke Sociale Dienst geraadpleegde psycholoog en de jeugdhulpverlener zijn betrokken. Gelet hierop heeft de rechtbank het niet noodzakelijk geacht het advies van een medisch deskundige in te winnen waarom appellante had gevraagd.

De rechtbank heeft voorts als haar oordeel gegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat het eigen werk van appellante als administratief medewerkster gedurende 24 uur per week en de werkzaamheden behorend bij de geselecteerde functies niet binnen haar medische beperkingen blijven.

De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat appellante, nu zij geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk, geen verlies aan verdienvermogen heeft en niet arbeids-ongeschikt in de zin van de WAO kan worden geacht.

In hoger beroep heeft appellante onder verwijzing naar het op haar verzoek opgemaakte rapport van 23 februari 2006 van de psychiater dr. L. Timmerman opnieuw gevraagd een onafhankelijke medische deskundige in te schakelen. In zijn rapport is deze psychiater tot de conclusie gekomen dat appellante niet hele dagen met arbeid is te belasten en dat zij niet in staat is tot loonvormende arbeid. In zijn brief van 17 oktober 2006 heeft deze psychiater vermeld dat er geen verschil van mening bestaat over de diagnostiek, maar wel over de vraag of “appellante beperkingen heeft op grond waarvan zij niet belastbaar is door middel van arbeid.”

Voorts heeft appellante bezwaren tegen de arbeidskundige grondslag aangevoerd.

De Raad acht zich omtrent de aard van de psychische klachten van appellante voldoende voorgelicht, daarbij lettend op de gedingstukken van medische aard, waaronder begrepen de rapportage van psychiater Timmerman. Een nader onderzoek naar appellantes klachten middels het gelasten van een onderzoek door een medisch deskundige acht de Raad voor zijn oordeelsvorming niet noodzakelijk.

Met betrekking tot de medische grondslag van de schatting overweegt de Raad dat hij onvoldoende aanknopingspunten ontleent aan de rapportage van de psychiater Timmerman om diens conclusie te kunnen volgen dat appellante ten tijde hier in geding niet in staat is loonvormende arbeid te verrichten. De Raad volgt in dit verband de opmerking van de bezwaarverzekeringsarts De Kanter in zijn commentaar van

16 juni 2006 dat deze conclusie meer een losse verklaring is die niet goed past bij de rest van de tekst. In de brief van 17 oktober 2006 van de psychiater Timmerman leest de Raad ook geen nadere onderbouwing van deze conclusie, in het bijzonder niet waarom zijn onderzoeksbevindingen tot die conclusie leiden.

De bezwaarverzekeringsarts M. Bakker heeft, uitgaande van dezelfde diagnose als de psychiater Timmerman, naast de door de verzekeringsarts I.M. Middelhoek aanvaarde aanzienlijke psychische beperkingen tevens rekening gehouden met een medische urenbeperking in verband met slaapstoornissen en de noodzakelijk geachte recuperatietijd. Dit standpunt acht de Raad naar behoren gemotiveerd.

De door de huisarts bij brief van 26 april 2004 gesignaleerde verslechtering in de situatie van appellante gedurende het laatste half jaar had in juni 2003 al geleid tot verwijzing naar de psychiatrische hulpverlening. De rapporten met betrekking tot bevindingen van de behandelende psychiaters stonden de bezwaarverzekeringsarts ter beschikking en hij heeft daarmee rekening kunnen houden. Aldus kan niet gezegd worden dat de bezwaar-verzekeringsarts niet zorgvuldig op basis van alle voorhanden zijnde gegevens tot zijn conclusie is gekomen dat appellante, zij het met inachtneming van haar psychische beperkingen en beperkt in uren, arbeid ten tijde in geding kon verrichten. De van de zijde van de behandelende psychiaters in hun rapporten vermelde GAF-score van 69 geeft evenmin houvast voor de opvatting van appellante dat zij tot geen enkele arbeid in staat is.

Het primair aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt dat appellante geschikt is voor haar eigen werk acht de Raad onvoldoende onderbouwd. Aan het rapport van 16 februari 2004 van de arbeidsdeskundige H.C. de Gram ontleent de Raad dat hij telefonisch overleg heeft gehad met de werkgever van appellante. Daaruit is naar voren gekomen dat sprake was een zogeheten Schakel/ID-baan met de bedoeling dat appellante uiteindelijk zou kunnen doorstromen naar het vrije bedrijf. Verder is de arbeidsdes-kundige, naar aan zijn rapport valt te ontlenen, afgegaan op de mededelingen van appellante zelf. In de gegeven omstandigheden waarin sprake is van zeer aanzienlijke psychische beperkingen is op basis hiervan niet zonder meer aannemelijk dat de belasting in het eigen werk in alle opzichten aan de psychische beperkingen van appellante tegemoet komt. De stelling van de arbeidsdeskundige dat het feitelijk om WSW-arbeid ging, waarin een zekere mate van beschutting aannemelijk is, is daarvoor onvoldoende en strijdt ook met de door hem gedane mededeling dat appellante haar werk niet bij Sallcon WSW verrichtte, maar bij Sallcon Werktalent.

Ten aanzien van functies die de arbeidsdeskundige ten behoeve van de arbeidsonge-schiktheidsschatting heeft geselecteerd overweegt de Raad dat eerst met het rapport van 20 maart 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige Willemse de in de rechtspraak van de Raad vereiste voldoende onderbouwing is verkregen van de geschiktheid van de functies ten tijde hier in geding. Met die functies kan appellante een zodanig inkomen verwerven dat geen verlies aan verdienvermogen bestaat.

Nu het Uwv die onderbouwing voor het bestreden besluit eerst in hoger beroep heeft gegeven, vormt dit voor de Raad aanleiding om het bestreden besluit wegens het ontbreken van een voldoende draagkrachtige motivering en daarmee de strijdigheid met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht te vernietigen. De rechtsgevolgen zal de Raad echter in stand laten. Ook de aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven.

Strikt genomen ten overvloede tekent de Raad bij het voorgaande aan niet te kunnen uitsluiten dat mogelijk een verslechtering in de psychische gezondheidstoestand van appellante na 22 februari 2004 zich heeft voorgedaan. Daarmee kan de Raad, die oordeelt over de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 februari 2004, evenwel in dit geding geen rekening houden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep, als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2007.

(get.). D.J. van der Vos.

(get.) S. Sweep.

MH