Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1356

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
05-4072 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4072 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 mei 2005, 04/502 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. J.L.J.M. van de Mortel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 1 februari 2007 heeft het Uwv nader stukken in het geding gebracht, waaronder een rapport van 26 januari 2007 van W.L. Wijngaards, bezwaararbeidsdeskundige.

Bij brief van 4 mei 2007 heeft het Uwv een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2007. Namens appellante is bovengenoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door

J.B. Snoek.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, werkzaam als advertentiemedewerker voor 36 uur per week, is na een autoongeval op 23 mei 2002 uitgevallen met nek- en schouderklachten (whiplash).

Bij besluit van 30 juli 2003 heeft het Uwv geweigerd appellante na afloop van de wettelijke wachttijd per 22 mei 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Daarbij heeft het Uwv zich gebaseerd op de rapporten van 6 mei 2003 van de verzekeringsarts F.H. Pelzers en van

21 mei 2003 van de arbeidsdeskundige G.J.F. van Schouwen. Eerstgenoemde heeft appellante onderzocht en vastgesteld dat er sprake is van beperkingen, voornamelijk op het fysieke vlak, en deze weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Laatstgenoemde heeft functies geselecteerd die appellante met inachtneming van bedoelde beperkingen kan uitoefenen en vastgesteld dat zij daarmee minimaal 85% kan verdienen van hetgeen zij voorheen verdiende.

Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 juli 2003. Daarbij is een brief van 30 juli 2003 van R. Gaymans, arts bij de Stichting Revalidatiecentrum Breda, overgelegd. Na rapportage van 16 januari 2004 van P. van Muijen, bezwaarverzekerings-arts, heeft het Uwv bij besluit van 28 januari 2004 (hierna: bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder andere aangevoerd dat de whiplash zich heeft ontwikkeld tot een chronisch pijnsyndroom waarmee het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden. Voorts is aangevoerd dat appellante meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen, hetgeen onder andere blijkt uit het gegeven dat zij na plusminus 20 minuten werken 10 minuten rust nodig heeft en dat een duurbeperking in aanmerking moet worden genomen. Bij een en ander is verwezen naar de overgelegde informatie van de revalidatie-arts L.J.M. Rijnders (brief van 20 juli 2004) en de bedrijfsarts M.E. Rommelse (brief van 23 augustus 2003).

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding wordt gezien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Er is in feite geen medische onderbouwing gegeven voor de stelling dat van een chronisch pijnsyndroom sprake is. De door appellante overgelegde informatie van onder andere de bedrijfsarts doet onvoldoende afbreuk aan de rapporten van de verzekeringsartsen; met name is geen noodzaak aanwezig voor het zeer geleidelijk hervatten van het werk, zoals door de bedrijfsarts is geadviseerd. Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting heeft de rechtbank aangegeven door de ingediende stukken en de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende overtuigd te zijn van de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellante.

Namens appellante zijn in hoger beroep voornamelijk de in eerste aanleg aangevoerde grieven herhaald.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kan de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Er is geen medische informatie in het geding gebracht die zodanig van aard is dat daardoor (voldoende) twijfel wordt gewekt ten aanzien van de door het Uwv overgelegde rapportages. Het enkele feit dat de bedrijfsarts een meer voorzichtige aanpak van de reïntegratie aanbeveelt, kan niet tot de conclusie leiden dat appellante de geduide functies niet zou kunnen vervullen. Voor de diagnose chronische pijnstoornis bieden de gedingstukken onvoldoende grondslag. Ook de overgelegde rapporten van twee revalidatie-artsen bieden daartoe geen steun. Overigens is niet de diagnose bepalend, maar gaat het erom welke beperkingen in welke omvang en ernst op basis van de gestelde diagnose zijn vast te stellen.

Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting merkt de Raad op dat in hoger beroep een nieuwe versie van de oorspronkelijke FML is overgelegd, waaruit de, in de eerdere versie wel aanwezige, zogenoemde verstopte beperkingen zijn verwijderd, in die zin dat hetgeen daarin was verstopt zichtbaar is gemaakt. Tevens zijn in het eerder genoemde rapport van 26 januari 2007 de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid per geselecteerde functie toegelicht en is naderhand nog een nadere toelichting gegeven bij het aspect 4.17 van de FML. Daarmee is -alsnog- een voldoende inzichtelijke motivering gegeven van de geschiktheid van appellante voor de geduide functies die voldoet aan de door de Raad gestelde eisen.

De Raad stelt vervolgens vast dat, als hiervoor aangegeven, het arbeidskundige aspect van de schatting gaandeweg het beroep en hoger beroep van een toereikende motivering is voorzien. In verband hiermee dient het bestreden besluit vernietigd te worden, maar bestaat er, conform de rechtspraak van de Raad op dit punt, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand te laten. Bijgevolg dient ook de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep ongegrond is verklaard, te worden vernietigd.

Tevens ziet de Raad aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beide instanties, ten bedrage van

€ 644,- in eerste aanleg en € 644,- in hoger beroep. Eveneens dient het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep aan haar te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Verklaart het beroep gegrond;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante ten bedrage van € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 134,- (€ 31,- en

€ 103,-) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en

J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

SSw