Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2007
Datum publicatie
08-08-2007
Zaaknummer
05-4017 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4017 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 juni 2005, nr. 04/969, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft naar aanleiding van een vraag van de Raad bij brief van 14 mei 2007 nader stukken in het geding gebracht, waaronder een rapport van 3 mei 2007 van

J.G. Schipper, bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2007. Namens appellante was bovengenoemde gemachtigde aanwezig. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, voorheen werkzaam als kapster, is op 3 januari 1998 uitgevallen met linker arm- en handklachten als gevolg van een verkeersongeval. Aan haar is, na hernieuwde uitval op 2 april 2002, door het Uwv per 29 april 2002 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een percentage van 80 tot 100. Op 29 augustus 2003 is zij onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv, die heeft vastgesteld dat sprake is van een dystrofie aan de linkerarm, dat zij tengevolge daarvan beperkingen ondervindt en dat zij met deze beperkingen aangepaste arbeid kan verrichten. Deze beperkingen heeft hij vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens blijkens diens rapport van 24 september 2003 een aantal voor appellante geschikte functies geselecteerd en vastgesteld dat zij daarmee een zodanig inkomen kan verdienen dat er ten opzichte van het zogenoemde maatmanloon een verlies resteert van 19,96 %. Bij besluit van 1 oktober 2003 heeft het Uwv aan appellante bericht dat de WAO-uitkering wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% per

25 november 2003.

Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 oktober 2003. In het kader daarvan zijn van de zijde van appellante rapporten overgelegd van

dr. J.B. van Mourik, chirurg-traumatoloog, en A. Ebbink, orthopedisch chirurg. De bezwaarverzekeringsarts N. Visser heeft op 7 juli 2004 rapport uitgebracht; in haar nadere rapportage van 21 juli 2004 heeft zij gereageerd op het rapport van A. Ebbink voornoemd. De bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe heeft in zijn rapport van

14 juli 2004 een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de geduide functies voor appellante. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 22 juli 2004 ( hierna: bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij heeft zij met name aangevoerd dat weliswaar beperkingen aan de linkerarm en -hand in aanmerking zijn genomen, maar dat ook aan de rechterzijde sprake is van toenemende beperkingen, zodat zij deswege eigenlijk in het geheel geen handwerk kan verrichten. Ten onrechte heeft de bezwaarverzekeringsarts haar niet zelf onderzocht. Tevens heeft zij gesteld dat voor een enkele functie kennis van vreemde talen wordt vereist waarover zij niet beschikt. Met name voor werken met een toetsenbord zijn veel niet eenvoudig te realiseren aanpassingen nodig.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende basis bestaat voor de stelling dat appellante aan de rechterzijde meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De rapporten van de artsen Ebbink en Van Mourik voornoemd bieden daarvoor geen c.q. onvoldoende steun. Weliswaar spreekt laatstgenoemde over dystrofie aan beide handen, maar deze arts constateert tevens dat zij met rechts (waar appellante dominant is) nog wel een aantal activiteiten kan verrichten. Ook acht de rechtbank het medisch onderzoek niet onzorgvuldig. De grief met betrekking tot de talenkennis gaat niet op nu appellante beschikt over een afgeronde MAVO-opleiding met Engels en Duits. De door appellante bedoelde aanpassingen op het werk zijn eenvoudig van aard en zonder veel problemen aan te brengen.

In hoger beroep zijn namens appellante de in eerste aanleg aangevoerde grieven grotendeels herhaald. Tevens is erop gewezen dat appellante per 29 juli 2004 alsnog volledig arbeidsongeschikt is geacht, dat zij in verband met de bijwerking van de medicijnen die zij moet gebruiken onder andere last heeft van concentratie-stoornissen en dat de toelichting bij sommige signaleringen niet duidelijk is, zodat moet worden aangenomen dat de belastbaarheid van appellante op die punten wel degelijk wordt overschreden.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kan de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Voor het aannemen van meer beperkingen aan de rechterarm en -hand dan is geschied bieden, met betrekking tot de datum in geding, de gedingstukken onvoldoende steun. Bij het vormen van haar oordeel had de bezwaarverzekeringsarts L. Visser de beschikking over de eerder genoemde rapporten van de artsen Ebbink en Van Mourik. Er bestaat onvoldoende grondslag in de medische gegevens om aan te nemen dat de bijwerking van de gebruikte medicijnen zodanig is dat in verband daarmee het opnemen van verdergaande beperkingen in de FML geïndiceerd is. Het gegeven dat per een latere datum dan thans in geding door het Uwv meer en toegenomen beperkingen in aanmerking zijn genomen, doet aan het voorgaande niet af.

Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting merkt de Raad allereerst op dat hij hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van het opleidingsniveau van appellante en de eventuele aanpassingen op de werkplek geheel kan onderschrijven. Tevens verdient het opmerking dat door het eerdergenoemde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Schipper, uiteindelijk, een adequate en inzichtelijke toelichting is verkregen ten aanzien van de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellante. Ook is ter zitting van de Raad helderheid verkregen met betrekking tot het item reiken (de daarbij aangegeven beperking betreft specifiek de linkerarm, terwijl met rechts meer mogelijk is). Uiteindelijk is dusdoende duidelijk geworden dat de belasting van de geduide functies de belastbaarheid van appellante niet overtreft.

Het voorgaande betekent dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eerst in hoger beroep van een toereikende motivering is voorzien. In verband hiermee dient dit besluit vernietigd te worden, maar bestaat er, conform de jurisprudentie van de Raad op dit punt, aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand te laten. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep ongegrond is verklaard, dient te worden vernietigd.

Tevens ziet de Raad aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beide instanties, ten bedrage van

€ 644,- in eerste aanleg en € 644,- in hoger beroep wegens de haar verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de Raad, daar in beide instanties een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend. Eveneens dient het Uwv het door appellante in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Verklaart het beroep gegrond;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beide instanties tot een totaal bedrag van € 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemerverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,- (€ 37,- in eerste aanleg in € 103,- in hoger beroep) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en

J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.

CvG