Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-08-2007
Datum publicatie
07-08-2007
Zaaknummer
05-3667 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/3667 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 april 2005, 04/1215 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.A. Vos, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 22 februari 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, op

7 januari 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 augustus 2002 ongegrond verklaard.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 20 januari 2004 het beroep van appellant tegen het besluit van 30 augustus 2002 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft de medische grondslag van dat besluit onderschreven doch was tevens van oordeel dat appellant niet als rijvaardig was te beschouwen. Nu het autorijden een (wezenlijk) onderdeel was van appellants werk als medewerker uitzendbureau, heeft het Uwv ten onrechte aangenomen dat appellant in staat moest worden geacht zijn eigen werk te verrichten.

Partijen hebben in deze uitspraak berust.

Bij besluit van 25 maart 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat in haar uitspraak van 20 januari 2004 reeds is geoordeeld dat de volgens de verzekeringsarts van het Uwv voor appellant op en na 7 januari 2002 geldende medische beperkingen niet voor onjuist kunnen worden gehouden en dat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft. De rechtbank was echter tevens van oordeel dat het Uwv ten onrechte bij het bestreden besluit de door appellant verrichte functie van “inpakker bij Kroef” als zijn maatman heeft aangemerkt, omdat die functie in drieploegendienst werd uitgeoefend en appellant daartoe niet in staat kon worden geacht.

Naar het oordeel van de rechtbank moest als appellants maatman het door appellant in de jaren 1987-1989 verrichte productiewerk worden aangemerkt. Voorts is geoordeeld dat appellant met de voor hem geldende beperkingen in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige A.M.A. van Bussel bij rapport van 18 maart 2004 geselecteerde functies te verrichten. Vergelijking van het in die functies te verdienen loon met appellants maatmanloon leidt per 7 januari 2002 tot een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, zodat appellant met ingang van laatstgenoemde datum geen recht heeft op een WAO-uitkering.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte geen nader medisch onderzoek door een onafhankelijk deskundige heeft gelast. Voorts is appellant van mening dat de rapportage van de verzekeringsarts N. Bayat van

8 januari 2002 onvolledig is, omdat bij appellant na 7 januari 2002 sprake is van toegenomen en bijkomende klachten. Tevens is betoogd dat de geduide functies niet aansluiten op de klachten en beperkingen van appellant.

Tot slot is namens appellant bij telefax van 20 juni 2007 verzocht om het onderzoek nog niet definitief te sluiten maar appellant in de gelegenheid te stellen nadere informatie in het geding te brengen.

De Raad overweegt als volgt.

Het bestreden besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van

20 januari 2004. De rechtbank heeft in die uitspraak als haar oordeel gegeven dat het besluit van 30 augustus 2002 berustte op een juiste medische grondslag. Door aldus te beslissen heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad appellants verdergaande betoog, namelijk dat hij om medische redenen niet in staat is arbeid te verrichten, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad

- verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 1 maart 2005 (LJN: AT0711) - van de juistheid van dit oordeel moet worden uitgegaan. De in hoger beroep naar voren gebrachte grief dat de rechtbank ten onrechte geen nader medisch onderzoek door een onafhankelijke deskundige heeft gelast staat derhalve thans niet meer ter beoordeling.

Ook de grief dat bij appellant na 7 januari 2002 sprake zou zijn van toegenomen en bijkomende klachten kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant na de datum in geding, 7 januari 2002, kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Dit kan uitzondering leiden in het geval dat er nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant ten tijde van de datum in geding. Hiervan is de Raad niet gebleken. Daarbij merkt de Raad op dat appellant in het beroepschrift heeft aangekondigd een onafhankelijke arts te zullen raadplegen, doch geen rapport heeft overgelegd noch anderszins het beroep heeft onderbouwd met nadere medische gegevens. Onder die omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding tot inwilliging van het namens appellant te elfder ure bij telefax van

20 juni 2007 gedane verzoek het onderzoek ter zitting nog niet definitief te sluiten in afwachting van de indiening van nadere medische informatie.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad, gezien de rapportages van de arbeidsdeskundige Van Bussel van 18 maart 2004 en van de bezwaararbeidsdeskundige W.W.M. Strijbos van 7 september 2005 niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten: in de drie functies die de schatting dragen (samensteller huishoudelijke artikelen, monteur koffiezetters, inpakker koffiezetters) is geen sprake van gevaaropleverende omstandigheden, waaronder het werken op hoogte, en evenmin van conflicthantering of het werken in ploegendienst.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Gunter.

JL