Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BB1177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
06-08-2007
Zaaknummer
06-4184 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening/intrekking bijstand. Terugvordering. Verzwegen werkzaamheden. Schending inlichtingenplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/4184 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[A. te B.] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 juni 2006, 05/485 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van het Intergemeentelijke Samenwerkingsverband Werk en Inkomen Aalten Oude IJsselstreek (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 31 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeentelijke herindeling oefent het Dagelijks Bestuur van het Intergemeentelijke Samenwerkingsverband Werk en Inkomen Aalten Oude IJsselstreek de taken en bevoegdheden in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) en de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het Dagelijks Bestuur van het Intergemeentelijke Samenwerkingsverband Werk en Inkomen Gendringen Wisch en Dinxperlo werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Dagelijks Bestuur tevens het Dagelijks Bestuur van het Intergemeentelijke Samenwerkingsverband Werk en Inkomen Gendringen Wisch en Dinxperlo verstaan.

Namens appellant heeft mr. J.H. van den Sligtenhorst, advocaat te Zutphen, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Sligtenhorst. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B.L. Wissink, werkzaam bij het Intergemeentelijke Samenwerkingsverband Werk en Inkomen Aalten Oude IJsselstreek.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 2 april 2001 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. De bijstandsuitkering is met ingang van 5 december 2003 beëindigd.

Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant werkzaamheden had verzwegen heeft de Regionale Sociale Recherche "De Oude IJssel" (hierna: sociale recherche) onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn observaties uitgevoerd, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, zijn diverse getuigen gehoord en heeft appellant verklaringen afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 april 2004. De onderzoeksresultaten zijn voor het Dagelijks Bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 6 mei 2004 de aan appellant verleende bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot 5 december 2003 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.264,39 van appellant terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellant heeft verzwegen dat hij werkzaamheden heeft verricht en woonachtig was buiten de (voormalige) gemeente Dinxperlo.

Bij besluit van 23 februari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling inzake griffierecht - het beroep tegen het besluit van 23 februari 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Dagelijks Bestuur aan de intrekking en de terugvordering ten onrechte de artikelen 69 en 81 van de Abw ten grondslag heeft gelegd, maar dat de toepasselijke wettelijke bepalingen wel tot hetzelfde resultaat leiden.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 23 februari 2005 in stand zijn gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat uit de bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche genoegzaam blijkt dat appellant van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2003 werkzaamheden heeft verricht voor [werkgeefster] en van 1 juli 2003 tot 5 december 2003 woonplaats had buiten de (toenmalige) gemeente Dinxperlo. De Raad stelt zich tevens achter de overwegingen van de rechtbank die tot dit oordeel hebben geleid.

Ten aanzien van hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht overweegt de Raad als volgt. De Raad is van oordeel dat de rechtbank afdoende is ingegaan op de grief van appellant dat zijn verklaringen tegenover de sociale recherche niet bruikbaar zijn omdat zij onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd en dat de getuige [getuige 1] van zijn tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring is teruggekomen. Hetgeen appellant hierover in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht, geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Dat het voor de getuige [getuige 2] onmogelijk was om met voldoende zekerheid te verklaren dat appellant al een aantal maanden niet meer in Dinxperlo woonachtig was, zoals appellant stelt, acht de Raad niet aannemelijk. Hij tekent daarbij aan dat uit de gedingstukken blijkt dat [getuige 2] woonde in de omgeving van het adres van appellant in Dinxperlo en dat appellant heeft verklaard dat hij met [getuige 2] een zeer goed contact had. De Raad verwerpt ook de stelling van appellant dat getuige [getuige 3] niet kon beoordelen of het huis van appellant in Dinxperlo al dan niet is bewoond. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat die getuige ten tijde van het afleggen van zijn verklaring reeds twee maanden in de woning naast die van appellant woonde. Aan de stelling van appellant dat andere buurtbewoners in de omgeving van het adres van appellant in Dinxperlo tegen de sociale recherche hebben verklaard dat appellant in hun buurt woonachtig was en dat die verklaringen in het dossier ontbreken, gaat de Raad voorbij omdat zij niet is onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. Aan de door appellant overgelegde verklaringen van buurtbewoners in de omgeving van het adres van de echtgenote van appellant in Zwolle dat appellant niet op dat adres woont, kent de Raad niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien, reeds omdat de vraag of appellant al dan niet op het adres van zijn echtgenote in Zwolle woont in dit geding niet aan de orde is.

Appellant heeft aan het Dagelijks Bestuur geen mededeling gedaan van het feit dat hij van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2003 werkzaamheden heeft verricht. Dat betekent dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg van die schending kan niet worden vastgesteld of appellant gedurende de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2003 recht heeft op bijstand, zodat hem over die periode ten onrechte bijstand is verleend. Appellant heeft voorts in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting verzuimd aan het Dagelijks Bestuur te melden dat hij van 1 juli 2003 tot 5 december 2003 woonplaats had buiten de (toenmalige) gemeente Dinxperlo. Als gevolg daarvan heeft het Dagelijks bestuur aan appellant, gelet op het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van de Abw, ook over die periode ten onrechte bijstand verleend.

Het vorenstaande brengt mee dat het Dagelijks Bestuur op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd was over te gaan tot intrekking van de aan appellant over de periode van 1 januari 2003 tot 5 december 2003 verleende bijstand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de intrekking is overwogen vloeit voort dat het Dagelijks Bestuur op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de kosten van de over de periode van 1 januari 2003 tot 5 december 2003 ten onrechte verleende bijstand terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.C. Palmboom.

BKH 050707